Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4551
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Premiedifferentiatie. Arbeidsongeschiktheid. Complicaties bij zwangerschap en bevalling. Is er sprake van een naar geslacht afwijkend risicoprofiel dat van invloed is op personeelsbeleid van werkgevers? Verdrag bescherming van moederschap.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5909 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], voorheen handelende onder de naam [oude naam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 21 oktober 2003 onder kenmerk 03/329 gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 24 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 4 maart 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 26 november 2001 tot vaststelling van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over 2002 op 6,06%. De berekening van deze gedifferentieerde premie is mede gebaseerd op een aan een ex-werkneemster van appellante (hierna: betrokkene) ingaande 29 november 1999 toegekende WAO-uitkering. Deze uitkering is toegekend vanwege tijdens het dienstverband met appellante ontstane arbeidsongeschiktheid. Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van (complicaties bij) zwangerschap/bevalling.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het beroep terecht en op goede gronden ongegrond verklaard. Naar de Raad in zijn uitspraak van 19 december 2002, USZ 2003/87, heeft overwogen speelt de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid bij de premiedifferentiatie geen rol, mede omdat die oorzaak in de totale structuur van de arbeidsongeschiktheidswetgeving evenmin een rol speelt.

Het beroep op het verbod tot (indirecte) discriminatie op grond van geslacht slaagt niet. De hier van belang zijnde wettelijke bepalingen maken geen direct onderscheid naar geslacht. De nationale wetgeving verbiedt werkgevers tijdens sollicitaties, het aangaan en beŽindigen van een arbeidsverhouding onderscheid te maken naar geslacht. De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is noch bij de toekenning van de WAO-uitkering, noch bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie van betekenis. Appellante heeft haar stelling dat de werking van artikel 4, vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie voor vrouwen een drempel opwerpt tot de toegang tot de arbeidsmarkt niet met bewijzen gestaafd. De enkele omstandigheid dat (complicaties in verband met) zwangerschap en bevalling onder omstandigheden tot arbeidsongeschiktheid (en in verband daarmee tot de toekenning van een WAO-uitkering) kunnen leiden, rechtvaardigt niet de daaraan door appellante verbonden veronderstelling dat daardoor sprake is van een in verband met de toepassing van de WAO naar geslacht afwijkend risicoprofiel dat invloed zou (kunnen) hebben op het door werkgevers te voeren personeelsbeleid ten aanzien van vrouwen.

Voor zover appellante met het vorenstaande mede beoogt een beroep te doen op artikel 4 van het Verdrag 103 betreffende de bescherming van het moederschap van 28 juni 1952, Trb. 1953, 129 (IAO-verdrag 103), slaagt dat beroep onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 8 september 2004 (LJN AR 2250, USZ 2004, 333) niet.

Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 april 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x