Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4630
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Betrokkene is per het einde wachttijd weer geschikt geacht voor maatgevende arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2990 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Als gemachtigde van appellant heeft mr. A. Kara, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 april 2003, nummer AWB 02/76, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 8 maart 2005, waar partijen niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 19 maart 2001 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat hem met ingang van 7 maart 2001 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt toegekend omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.

Bij besluit van 30 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 maart 2001 ongegrond verklaard.

Het gaat in dit geding om de vraag of appellant terecht met ingang van 7 maart 2001 een uitkering ingevolge de WAO is geweigerd op de grond dat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.

In het beroepschrift wordt gesteld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Er zou geen tolk tijdens de hoorzitting en bij de rechtbank aanwezig zijn geweest.
Uit het verslag van de hoorzitting van 13 september 2001 en het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 20 maart 2003 blijkt dat appellant beide keren is verschenen, vergezeld van een tolk. Deze grief mist derhalve feitelijke grondslag en wordt daarom door de Raad verworpen.

Voorts blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts M. Opheij van 19 januari 2001 dat appellant bij haar onderzoek op het spreekuur heeft verklaard dat hij al weer een paar maanden daarvoor in het eigen werk in ploegendienst volledig had hervat en dat de verzekeringsarts bij dat onderzoek appellant heeft ge´nformeerd omtrent haar oordeel dat zij appellant per het einde van de wachttijd weer geschikt achtte voor de maatgevende arbeid. De Raad wijst er voorts op dat blijkens een telefoonnotitie van 13 februari 2001 vanwege appellant in het licht van die werkhervatting naar de betekenis van het besluit van 9 februari 2001 waarbij appellant met ingang van 7 maart 2001 een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, werd toegekend is ge´nformeerd. Uit het rapport van 7 november 2001 van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz kan worden afgeleid dat appellant na januari 2001 en ook op de datum in geding, 7 maart 2001, werkzaam is gebleven in zijn eigen werk, dat hij na 7 maart 2001 een paar keer het werk heeft verzuimd en vervolgens zijn werk weer heeft hervat.

Onder deze omstandigheden kan de Raad niet aannemen dat gedaagde met het besluit van 19 maart 2001 niet heeft mogen terugkomen van het ten onrechte genomen besluit van 9 februari 2001. De Raad acht die intrekking van het besluit van 9 februari 2001 onder deze omstandigheden niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x