Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4662
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verlaging WAO-uitkering. Is bij de vaststelling van de beperkingen voldoende rekening gehouden met de schouderklachten? Maatman opnieuw vastgesteld. Onderzoek onafhankelijk orthopedisch chirurg.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/6484 WAO en 04/611 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. Y. de Froe, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem onder dagtekening 26 november 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, registratienummer: 01/756 WAO.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Mr. De Froe, voornoemd, heeft de Raad bij brief van 31 juli 2002 meegedeeld zich als gemachtigde van appellant terug te trekken.

Appellant heeft een brief van 28 augustus 2002 met bijlage ingezonden.

Bij schrijven van 21 mei 2003 met bijlage heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld en een nadere toelichting verstrekt op het standpunt van appellant.

Gedaagde heeft vragen van de Raad beantwoord.

Bij brieven van 13 oktober 2003, 16 oktober 2003, 23 oktober 2003 en 1 december 2003, alle voorzien van bijlagen, heeft mr. Balkema de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Bij schrijven van 9 januari 2004 heeft gedaagde een nader besluit op bezwaar (met bijlage) van gelijke datum ingezonden.

Van de zijde van appellant is hierop gereageerd bij brief van 12 januari 2004.

Op verzoek van de Raad heeft de orthopaedisch chirurg Ch.W.G.M. Geukers bij rapport van 3 mei 2005 als deskundige omtrent appellant verslag uitgebracht.

Namens appellant is op dat rapport gereageerd.

Ook gedaagde heeft een reactie ingezonden, bestaande uit een rapport van 6 juli 2000 van de bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers.

Namens appellant is bij brief van 11 augustus 2004 met bijlagen daarop commentaar geleverd en is het standpunt van appellant andermaal nader toegelicht.

Op verzoek van de Raad heeft de deskundige Geukers bij brief van 13 december 2004 gereageerd op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Gommers van 6 juli 2004.

Gedaagde heeft bij brief van 22 december 2004 commentaar daarop geleverd, onder meezending van een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts Gommers van 20 december 2004.

Bij brief van 3 maart 2005 heeft appellants gemachtigde een brief van appellant, gedateerd 28 februari 2005, ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema, en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.H. Nuijens, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is met klachten van verschillende aard in 1983 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als machinebediende. Met ingang van 10 februari 1984 heeft gedaagde hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Per 14 november 1995 is de uitkering herzien naar de klasse 55 tot 65%.

Bij besluit van 14 maart 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 20 juni 2000, houdende een herziening van appellants WAO-uitkering met ingang van 10 augustus 2000 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

De rechtbank heeft overwogen zich te kunnen verenigen met het opgestelde belastbaarheidspatroon, zoals dat tot stand is gekomen op basis van verschillende verzekeringsgeneeskundige onderzoeken alsmede informatie van de behandelend sector. Aan de eigen opvatting van appellant dat zijn beperkingen zijn onderschat kan naar het oordeel van de rechtbank niet de waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien, nu die opvatting niet aan de hand van enig objectief medisch gegeven is onderbouwd. Ook met appellants schouderklachten is volgens de rechtbank voldoende rekening gehouden, waarbij de schouderoperatie die appellant heeft ondergaan in februari 2001 niet van invloed is, nu deze heeft plaatsgevonden na de datum in geding 10 augustus 2000. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de bij de schatting gebruikte functies in overeenstemming zijn met appellants belastbaarheid, waarbij de rechtbank mede acht heeft geslagen op de vanwege gedaagde verstrekte toelichting op een bij de functie monteur voorkomende markering en op de door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts in een medisch onderzoeksverslag van 12 februari 2001 gegeven overwegingen omtrent de passendheid van de functies.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd. Hij blijft de mening toegedaan dat zijn beperkingen door gedaagde niet op juiste waarde zijn geschat. In het bijzonder heeft hij hierbij het oog op zijn rug-, schouder- en armklachten. Ter onderbouwing van zijn opvatting is namens appellant een rapport d.d. 6 mei 2002 ingebracht van de assistent orthopedie H. Sonneveld en de orthopaedisch chirurg prof. dr. A. van Kampen. Daarnaast zijn grieven naar voren gebracht met betrekking tot het bij de schatting in aanmerking genomen maatmaninkomen. Met name de 13e maand die appellant destijds had zou daarin ten onrechte niet zijn meegenomen.

De juistheid van deze laatste grief is in de loop van de procedure alsnog door gedaagde erkend. Gedaagdes arbeidsdeskundige heeft het maatmaninkomen van appellant opnieuw vastgesteld, daarbij rekening houdend met evenvermelde 13e maand. Dit nieuwe maatmaninkomen leidt, zo blijkt uit het arbeidskundig rapport van 30 december 2003, in vergelijking met appellants resterende verdienvermogen tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 28%, overeenkomend met indeling in de klasse 25 tot 35%. Bij nader besluit op bezwaar van 9 januari 2004 heeft gedaagde, onder intrekking van het bestreden besluit, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 10 augustus 2000 alsnog bepaald op 25 tot 35%.

Zoals namens appellant ook expliciet is aangegeven, wordt met het nadere besluit van 9 januari 2004 niet volledig aan zijn hoger beroep tegemoetgekomen. Het besluit van 9 januari 2004 dient daarom op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure te worden betrokken. Daarnaast behoudt appellant, in verband met de namens hem ingediende vordering tot vergoeding van wettelijke rente, belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Inhoudelijk spitst de zaak zich in het bijzonder nog toe op de vraag of appellant, gegeven de voor hem van toepassing te achten medische beperkingen, terecht in staat is geacht per 10 augustus 2000 de bij de schatting in aanmerking genomen functies te vervullen.

Hiervoor is aangegeven dat appellant ter onderbouwing van zijn eigen opvatting dat hij daartoe niet in staat is een rapport, gedateerd 6 mei 2002, heeft laten uitbrengen door de assistent orthopedie Sonneveld en de orthopedisch chirurg
Van Kampen. Genoemde onderzoekers konden voor de rug- en knieklachten van appellant geen anatomisch substraat vinden. Voor wat betreft de schouders lijkt er volgens hen sprake van impingementklachten beiderzijds. Twee van de gebruikte functies, die van medewerker stamperij en monteur, achtten zij op een aantal onderdelen te zwaar voor appellant.
Van de zijde van gedaagde is bij monde van de bezwaarverzekeringsarts Gommers uitgebreid gereageerd op evenvermeld expertiserapport. Aangegeven is dat en waarom niet kan worden ingestemd met de onderzoeksbevindingen en met de ten aanzien van beide functies getrokken conclusies.

De Raad heeft aanleiding gevonden om een deskundige te raadplegen. In zijn rapport van 3 mei 2004 geeft de orthopedisch chirurg Geukers onder meer aan dat en waarom hij zich kan voorstellen dat een aantal van de bij de schatting gebruikte functies problemen kan opleveren voor appellant. Meergenoemde bezwaarverzekeringsarts Gommers heeft in een reactie op het deskundigenrapport uitvoerig aangegeven waarom hij zich ook met de bevindingen en conclusies van Geukers niet kan verenigen.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat de deskundige Geukers in zijn rapport van 3 mei 2004 niet tot stellige en eenduidige conclusies is gekomen inzake de passendheid in medisch opzicht voor appellant van de door hem in zijn beantwoording van de hem voorgelegde vragen genoemde functies. Zijn oordeel dat bepaalde functies niet of minder geschikt voor appellant zijn is met de nodige terughoudendheid geformuleerd.

Belangrijker evenwel acht de Raad het volgende.

In zijn brief van 13 december 2004 heeft Geukers aangegeven dat hij geen verdergaande beperkingen van toepassing acht op de aspecten reiken, tillen, duwen en trekken, terwijl hij er in zijn aanvankelijke rapport van 3 mei 2004 juist vanuit lijkt te zijn gegaan dat appellant op die aspecten wel verdergaand beperkt is dan vanwege gedaagde is aangenomen. Hoe dit verder ook precies zij, met de nadien bij evenvermelde brief van 13 december 2004 gegeven aanvulling is genoegzaam komen vast te staan dat de deskundige appellant op die aspecten (alsnog) niet verdergaand beperkt acht dan waarvan gedaagde was uitgegaan. Daarmee zijn de conclusies van Geukers inzake de ongeschiktheid of verminderde geschiktheid van de door hem genoemde functies met name (nog) slechts gebaseerd op de door hem bij appellant aangenomen nekbeperkingen.

Zoals Geukers zelf heeft aangegeven en zoals ook door de bezwaarverzekeringsarts Gommers is benadrukt, konden er evenwel destijds bij röntgenonderzoek van appellant geen afwijkingen aan de nek worden geobjectiveerd. Röntgenonderzoek van de nek in 1998 liet geen duidelijke afwijkingen zien, terwijl ook röntgenonderzoek van de cervicale wervelkolom door dr. Van Kampen in 2002 geen degeneratieve afwijkingen aantoonde. Eerst bij onderzoek in 2004 kwamen enige degeneratieve afwijkingen aan het licht.

De Raad is met bezwaarverzekeringsarts Gommers van oordeel dat de aanname van Geukers dat, gezien die later gevonden afwijkingen, er ook ten tijde hier van belang mogelijk al preëxistente zaken (bedoeld is: nekproblemen) waren die niet op gewone röntgenfoto’s kunnen of konden worden geduid, in het licht van de omtrent appellant beschikbare medische gegevens een voldoende en overtuigende objectief-medische onderbouwing ontbeert en aldus geen basis kan vormen voor de conclusie dat bij appellant (ook) reeds in augustus 2000 sprake was van wezenlijke nekbeperkingen.

Voor zover, ten slotte, Geukers zijn conclusies mede heeft gegrond op bij appellant aanwezige schouderklachten, dan geldt dat de Raad met gedaagde van oordeel is dat met die klachten al voldoende rekening is gehouden bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon en het selecteren van de bij de schatting in aanmerking genomen functies. Ten aanzien van de functies geldt dat niet langdurig boven schouderhoogte behoeft te worden gewerkt, terwijl ook de overige daaraan verbonden belastende aspecten niet zodanig zijn dat geoordeeld zou moeten worden dat appellants schouderklachten aan het vervullen van die functies in de weg staan.

De Raad komt al met al op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat op basis van het deskundigenrapport en de nadien gegeven aanvulling daarop niet kan worden geoordeeld dat de onderhavige schatting op een ondeugdelijke grondslag berust. Ook overigens ontbreekt een genoegzaam objectief-medisch substraat voor een dergelijk oordeel. Met name zijn ook in het expertiserapport van Sonneveld en Van Kampen daarvoor onvoldoende aanknopingspunten te vinden. De Raad kan zich volledig vinden in gedaagdes commentaar op dat rapport, zoals vervat in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 september 2003.

De Raad komt tot de conclusie dat het bestreden besluit van 14 maart 2001, nu dat immers niet langer door gedaagde juist wordt geacht, in rechte geen stand kan houden. Zulks geldt ook voor de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.
Uit het vorenoverwogene volgt tevens dat het nadere besluit van 9 januari 2004 in rechte wel kan standhouden, waarbij de Raad nog opmerkt dat hij, in het licht van artikel 8:69 van de Awb, ook overigens geen aanleiding heeft gevonden om dat besluit rechtens niet juist te achten.

Appellant heeft recht op vergoeding door gedaagde op grond van artikel 8:73 van de Awb van de door hem verzochte wettelijke rente, bestaande uit het verschil tussen de hem vanaf de datum in geding feitelijk betaalde uitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en de uitkering waarop hij per die datum recht kan doen gelden, te weten een uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Met betrekking tot de wijze waarop gedaagde die rente dient te berekenen, volstaat de Raad kortheidshalve met een verwijzing naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

Tevens acht de Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op eveneens € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Tevens kan appellant aanspraak maken op vergoeding van kosten samenhangend met het uitbrengen van het expertiserapport van 6 mei 2002 door Sonneveld en Van Kampen. De Raad merkt hierbij onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting op dat, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bij een aan het rapport bestede tijd van 6 uur zoals namens appellant aangegeven, en voorts gelet op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid onder IV van de Wet tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van € 81,23, een forfaitaire vergoeding mogelijk is van € 487,38.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 9 januari 2004 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.775,38, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x