Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4770
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Betrokkene wordt geschikt geacht tot het verrichten van haar eigen werk als administratief medewerkster.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2246 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen onder dagtekening 11 april 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer Awb 01/953 WAO V02.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 maart 2005 zijn namens appellante nadere stukken ingezonden, waarop gedaagde heeft gereageerd bij schrijven van 9 maart 2004 (bedoeld is: 2005) met bijlage.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar voor appellante is verschenen mr. Brouwer, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.J.M. van Haaften, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante ontvangt, na in 1996 wegens duizeligheidsklachten te zijn uitgevallen voor haar parttime werkzaamheden als administratief medewerkster, vanaf oktober 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij het bestreden besluit van 1 oktober 2001 heeft gedaagde in bezwaar gehandhaafd zijn primaire besluit van 6 september 2000, houdende een intrekking van appellantes WAO-uitkering met ingang van 7 november 2000, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Blijkens de daaraan ten grondslag liggende gegevens berust die intrekking op een beoordeling volgens welke voor appellante op de datum in geding wel enige lichamelijke beperkingen zijn aan te geven, maar geen beperkingen op het psychische vlak. Bij dit laatste is gedaagde in het bijzonder afgegaan op een door de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort op verzoek van gedaagde omtrent appellante uitgebracht expertiserapport. De - relatief geringe - lichamelijke beperkingen van appellante staan naar het oordeel van gedaagde niet in de weg aan het verrichten door appellante van haar eigen - lichamelijk weinig belastende - maatgevende werkzaamheden als administratief medewerkster.

Namens appellante wordt uitsluitend bestreden dat er op het psychische vlak geen sprake zou zijn van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek, zoals de zenuwarts Van Zandvoort heeft geconcludeerd en zoals ook door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is geoordeeld. Appellante heeft er in dit verband in hoger beroep op doen wijzen dat zij in augustus 2002 is gaan werken, welk werk zij vervolgens in november van datzelfde jaar weer heeft moeten staken als gevolg van spanningsklachten. In januari 2003 zou zij op vrijwillige basis zijn opgenomen op de open unit van GGZ Drenthe, locatie Assen.

De Raad stelt voorop dat de zenuwarts Van Zandvoort, die appellante in augustus 2000 - derhalve kort voor de datum in geding - heeft onderzocht, tot de conclusie is gekomen dat er bij appellante op dat moment geen sprake was van ziekte of gebrek in psychiatrisch opzicht en dat er derhalve strikt genomen geen objectiveerbare afwijkingen, samenhangend met psychopathologie, vallen aan te geven voor arbeid.

De Raad heeft geen aanknopingspunten om die conclusies, die berusten op een zorgvuldig onderzoek en overtuigend zijn onderbouwd, niet juist te achten. Zulke aanknopingspunten zijn met name ook niet te vinden in hetgeen appellante naar voren heeft doen brengen en aan nadere stukken heeft overgelegd, reeds omdat de gebeurtenissen en stukken alle betrekking hebben op tijdstippen die geruime tijd na de datum in geding zijn gelegen.
Nu de Raad in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook voor het overige geen aanleiding heeft om het bestreden besluit rechtens voor onjuist te houden, volgt uit het bovenstaande dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x