Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4818
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. Zijn de beperkingen in verband met de psychische klachten onderschat?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2674 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 14 mei 2002 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 00/1408 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellant heeft mr. M.V. Vermeul, advocaat te Utrecht, de gronden van het hoger beroep op 14 juni 2002 nader aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van vanwege de Raad gestelde vragen heeft psychiater D. Kok, die op 5 november 2001 in opdracht van de rechtbank een deskundigenrapport heeft uitgebracht, dit rapport bij brief van 10 oktober 2003 toegelicht.

Bij brief van 4 december 2003 heeft mr. J. Berendsen, advocaat te Nijmegen, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
Namens appellant zijn op 16 januari 2004 nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Berendsen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op 15 september 2004 hebben de psychiater G. Nabarro en de psychiater i.o. M.E.C. Neve op verzoek van de Raad een deskundigenrapport uitgebracht.

Gedaagde heeft op 21 oktober 2004 een reactie van bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten op dit rapport ingezonden.

Namens appellant is op 24 november 2004 een brief van zijn huisarts, C.J. Bakkum, van 18 november 2004 ingezonden.

Naar aanleiding van de bovenvermelde reactie van bezwaarverzekeringsarts Joosten hebben de deskundigen Nabarro en Neve hun rapport bij brief van 16 december 2004 toegelicht.

Op deze toelichting heeft gedaagde bij rapport van bezwaarverzekeringsarts Joosten van 28 december 2004 gereageerd.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Berendsen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. Croes, voornoemd.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is werkzaam geweest als taxichauffeur en is op 3 september 1998 uitgevallen wegens spierverkrampingen in het aangezicht en de keel. Op 8 juli 1999 is appellant onderzocht door verzekeringsarts P. Schouten die hierover op dezelfde dag een rapport heeft uitgebracht. Hierin is onder meer vermeld dat bij appellant sprake is van dystonische reacties in het gelaat, die mogelijk psychogeen zijn bepaald. In een door Schouten op 8 juli 1999 opgesteld belastbaarheidspatroon zijn onder meer beperkingen opgenomen met betrekking tot de aspecten werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo en conflicthantering. Aan de hand van dit belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige J.L. Scholtes functies voor appellant geselecteerd. Op 30 augustus 1999 heeft Scholtes gerapporteerd dat, gezien de aan deze functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 15% moet worden gesteld. Bij besluit van 14 september 1999 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld dat wordt geweigerd om met ingang van 2 september 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, waarbij hij heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen op psychisch vlak. Hierbij heeft hij verwezen naar een rapport van 16 december 1999, opgesteld door de psycholoog P.A.M. Wingbermühle en de gezondheidszorgpsycholoog dr. W.H.J. Lancée.
Op 17 maart 2000 heeft Joosten, voornoemd, een rapport uitgebracht, na onder meer informatie te hebben ingewonnen bij de huisarts van appellant en de behandelend psychiater. In dit rapport heeft Joosten aangegeven dat in de primaire besluitvormingsfase de medische beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld. Bij besluit van 20 juni 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren ongegrond verklaard.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de psychiater D. Kok als deskundige geraadpleegd. Kok heeft in zijn op 5 november 2001 uitgebrachte rapport vermeld dat bij appellant sprake is van een lager dan gemiddeld algeheel tempo van denken, spreken en reageren en dat hij zich snel onzeker voelt en onder druk gezet. Kok heeft aangegeven dat appellant is aangewezen op werkzaamheden waarbij geen tijdsdruk voorkomt, zich geen conflicten voordoen en geen gevaar opleverende situaties voorkomen. Volgens Kok is door gedaagde voldoende met deze beperkingen rekening gehouden. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij, onder verwijzing naar het rapport van de deskundige Kok, overwogen dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid voor juist kan worden gehouden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant in staat kan worden geacht de hem geduide functies te vervullen en dat niet is gebleken dat gedaagde van een te laag maatmaninkomen is uitgegaan.

Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat zijn beperkingen in verband met zijn psychische klachten zijn onderschat.

De Raad heeft aanleiding gezien om zich over de gezondheidstoestand van appellant nader te laten voorlichten. De psychiater G. Nabarro en de psychiater i.o. M.E.C. Neve hebben op 15 september 2004 als deskundige een rapport uitgebracht. Nabarro en Neve hebben tijdens hun onderzoek vastgesteld dat appellant lijdt aan een depressie, afhankelijkheid van benzodiazepines, een psychotische stoornis die mogelijk past in het kader van een schizofrene ontwikkeling alsmede een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven. Nabarro en Neve hebben aangegeven dat zij zich niet kunnen verenigen met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid en dat appellant op 2 september 1999 niet in staat was de hem voorgehouden functies te vervullen.

Op dit rapport heeft gedaagde door middel van een rapport van Joosten, voornoemd, van 18 oktober 2004 gereageerd. Hierin is onder meer naar voren gebracht dat de gezondheidstoestand van appellant na de datum in geding is verslechterd en dat de door de deskundigen Nabarro en Neve verkregen onderzoeksresultaten zijn beïnvloed door het zeer forse medicijngebruik van appellant. Volgens Joosten kan niet de conclusie worden getrokken dat appellant op de datum in geding geen arbeidsmogelijkheden had. Hierbij heeft Joosten verwezen naar de bevindingen van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige D. Kok.

Nabarro en Neve hebben hun rapport bij brief van 16 december 2004 toegelicht. Hierbij is erop gewezen dat de gezondheidstoestand van appellant weliswaar is verslechterd na de datum in geding, maar dat moet worden vastgesteld dat ook toen, mede gezien de informatie uit de behandelend sector, sprake was van een ernstige psychiatrische stoornis.

In het door gedaagde ingezonden rapport van Joosten van 28 december 2004 is het standpunt zoals verwoord in het rapport van deze bezwaarverzekeringsarts van 18 oktober 2004 gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

Wat betreft de medische component van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft de Raad doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de deskundigen Nabarro en Neve. Hierbij heeft de Raad onder meer in aanmerking genomen dat aan dit rapport een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt, waarbij geldt dat Nabarro en Neve kennis hebben genomen van de in het dossier aanwezige medische gedingstukken, waaronder het rapport van de deskundige Kok en zijn toelichting op dit rapport. Voorts overweegt de Raad dat de conclusies van het rapport van Nabarro en Neve uitgebreid zijn gemotiveerd. Mede gezien de toelichting die Nabbaro en Neve bij brief van 16 december 2004 op hun rapport hebben gegeven, neemt de Raad de door deze deskundigen getrokken conclusies over.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op een ontoereikende medische grondslag berust. Dit besluit zal in verband hiermee worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten.

Gedaagde zal, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

Aangezien nog niet vaststaat hoe dit nieuwe besluit zal komen te luiden, ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade uit te spreken. Gedaagde zal bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad heeft aanleiding gezien om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en op € 966,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.610, --, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat gedaagde het betaalde griffierecht van € 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x