Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4836
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schatting WAO. De geschiktheid van de voorgehouden functie.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1889 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 27 februari 2003, nummer WAO 01/1346, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft daarop gereageerd, onder overlegging van een rapportage van zijn bezwaararbeidsdeskundige.

Desgevraagd heeft appellant nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar namens appellant is verschenen mr. L. Ritsma, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman, voornoemd.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde was laatstelijk sedert 1 februari 1999 werkzaam als elektricien. Hij is op 3 mei 1999 uitgevallen met psychische klachten. Bij besluit van 29 september 2000 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 1 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 juni 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant opnieuw een besluit neemt met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft bepaald en bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten aan gedaagde. Zij heeft ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan de juistheid van de medische beoordeling door appellants (bezwaar)verzekeringsarts te twijfelen. De rechtbank heeft overwogen dat van de zijde van gedaagde geen medische gegevens in geding zijn gebracht die tot een andere conclusie zouden kunnen leiden. Ten aanzien van de door gedaagde overgelegde rapportage en indicatie overweegt de rechtbank dat daaraan geen relevante betekenis toekomt, reeds gelet op het feit dat de daarin neergelegde onderzoeksbevindingen betrekking hebben op een datum, gelegen ruim na de in geding zijnde datum. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding een deskundige te benoemen ten einde nader onderzoek te verrichten naar gedaagdes medische gezondheidstoestand ten tijde in geding.
Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat in de aan gedaagde voorgehouden functie van assemblagemedewerker blijkens de verwoording van de functiebelasting "aanmerkelijke tijdsdruk" voorkomt, nader omschreven als "pieken in de zomer komen voor afhankelijk van de bezetting". Blijkens het door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde (gewijzigde) belastbaarheidspatroon van 13 december 2001 is ten aanzien van aanmerkelijke tijdsdruk een beperking aan de orde, in die zin dat gedaagde niet kan werken in een setting met frequente pieken, maar een incidentele piek c.q. soms een piek is toegestaan. In een rapportage van 11 mei 2001 heeft de bezwaararbeidsdeskundige gesteld dat in de functie slechts in geringe mate sprake is van pieken en de functie derhalve geschikt is te achten. De rechtbank heeft overwogen dat uit de verwoording van de functiebelasting en de verkorte functieomschrijving niet blijkt hoe groot de kans is dat een piek kan voorkomen, hoe lang een piek duurt en gedurende welke periode. De stelling van de bezwaararbeidsdeskundige dat slechts in geringe mate sprake is van pieken gaat uit van een niet nader toegelichte vooronderstelling die geen steun vindt in de gedingstukken. Desgevraagd heeft appellants gemachtigde ter zitting van de rechtbank ook geen uitsluitsel kunnen geven over de aard, omvang en frequentie van pieken tijdens de zomer. Gelet op het feit dat de beschrijving van de functie de mogelijkheid openlaat dat in een langduriger periode frequent pieken aan de orde zijn en ten aanzien van dit aspect geen adequate toelichting door appellant is gegeven, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat deze functie uit medisch oogpunt voor gedaagde geschikt is. De rechtbank overweegt ten slotte dat, nu de functie assemblagemedewerker niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd, dat besluit niet meer op ten minste drie functies met tezamen dertig arbeidsplaatsen berust en derhalve in strijd komt met artikel 4, eerste lid, van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en WAJONG, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding.

Appellant heeft zich met deze uitspraak van de rechtbank niet kunnen verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht en op goede gronden het inleidend beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd.

Mede naar aanleiding van hetgeen dienaangaande ter zitting namens gedaagde naar voren is gebracht ziet de Raad aanleiding in de eerste plaats te overwegen dat hij voor, wat betreft de medische grondslag van de in geding zijnde beoordeling heeft de Raad, evenals de rechtbank, lettende op hetgeen uit de gedingstukken naar voren is gekomen omtrent de gezondheidstoestand van gedaagde, onvoldoende aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat de beperkingen van gedaagde onjuist zouden zijn vastgesteld.

De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts M. Bruins gedaagde heeft onderzocht, kennis heeft genomen van de op gedaagde betrekking hebbende medische gegevens en een rapportage, alsmede een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld. De Raad heeft hierbij voorts in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries informatie heeft ingewonnen bij GGZ Den Helder, de beperkingen in het belastbaarheidspatroon, zoals opgesteld door de primaire verzekeringsarts, heeft aangescherpt ten aanzien van punt 17 (belastbaarheid voor stof, rook, gas en damp licht beperkt), met betrekking tot punt 28A heeft aangegeven dat de daarbij behorende toelichting gelezen moet worden als: "betrokkene is beperkt met betrekking tot frequente pieken, waarbij een incidentele piek ("soms een piek") is toegestaan", en bij punt 28H als toelichting heeft vermeld dat gedaagde op grond van met name psychische factoren niet altijd kan voldoen aan hoge concentratie-eisen en bij dergelijke eisen niet altijd nauwkeurig zal kunnen werken. Tevens heeft de Raad overwogen dat door gedaagde geen medische gegevens zijn overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid op de in geding zijnde datum.

Met betrekking tot de vraag of de aan gedaagde geduide functie van assemblagemedewerker (functiebestandscode 8463, functienummer 3483-0012-002) als passend is te beschouwen overweegt de Raad als volgt.

Van de zijde van appellant is er op gewezen dat in de desbetreffende verwoording functiebelasting bij punt 28A is vermeld dat pieken in de zomer voorkomen afhankelijk van de bezetting. Deze toelichting geeft naar het oordeel van appellant aan dat er in een beperkt deel van het jaar pieken voorkomen en in deze periode dan ook nog eens niet continu of frequent. Appellant is van opvatting dat de door de rechtbank onderkende mogelijkheid van frequente pieken in een langduriger periode niet uit de verwoording functiebelasting valt op te maken.

De Raad heeft geen reden te oordelen dat deze opvatting van appellant niet juist zou zijn. Hij wijst er daarbij op dat uit de overgelegde gedingstukken van arbeidskundige aard valt af te leiden dat de periode waarin in de desbetreffende functie pieken kunnen voorkomen ongeveer zes weken per jaar duurt vanwege de zomervakantie en dat de tijdsdruk in deze periode niet frequent optreedt. De werkgever tracht deze tijdsdruk zoveel mogelijk op te vangen door het inzetten van uitzendkrachten. Blijkens de gedingstukken staat tevens genoegzaam vast dat er geen sprake is van een structurele dan wel van een frequent voorkomende tijdsdruk. Bovendien blijkt daaruit dat er voor de onderhavige functie geen bijzondere eisen aan de opleiding worden gesteld. Er wordt in de functie vrijwel nooit een beroep gedaan op probleemoplossend vermogen of op zelfstandigheid. Het gaat in de functie om eenvoudige, routinematige productiewerkzaamheden, waarbij tijdsdruk minder stresserend is dan bij werk waarbij eisen worden gesteld aan bijvoorbeeld concentratievermogen of informatieverwerking.

De Raad kan zich op grond van het bovenstaande stellen achter het standpunt van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op grond van de met betrekking tot de functie van assemblagemedewerker beschikbare gegevens niet vaststelbaar is dat die functie uit medisch oogpunt geschikt is voor gedaagde. Nu aldus het hoger beroep van appellant slaagt en nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x