Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4856
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. De beperkingen van betrokkene zijn niet onderschat. De in aanmerking genomen functies zijn voor betrokkene passend te achten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2176 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. R.L.J.J. Vereijken, werkzaam bij de stichting Rechtsbijstand te Roermond, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch onder dagtekening 12 maart 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: AWB 02/65.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante is in oktober 1999 wegens diverse lichamelijke en psychische klachten uitgevallen voor haar in een deeltijdse omvang van 20 uur per week verrichte werkzaamheden als steksteekster. Bij besluit van 4 januari 2001 heeft gedaagde geweigerd om appellante in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 16 oktober 2000, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Bij het bestreden besluit van 26 november 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 januari 2001 ongegrond verklaard.

In geding is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Van de zijde van appellante wordt in het bijzonder de medische grondslag van het bestreden besluit aangevochten. De rechtbank heeft het door gedaagdes verzekeringsartsen ingestelde onderzoek als volledig en voldoende zorgvuldig aangemerkt en heeft het op basis daarvan ten aanzien van appellante opgestelde belastbaarheidspatroon, zoals dat naderhand nog door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts op meerdere onderdelen is aangescherpt naar aanleiding van de bevindingen van de medisch adviseur C. Harmsma alsmede naar aanleiding van de rapportage van 14 augustus 2000 van het Rug Advies Centrum, als juist onderschreven. Uit de overgelegde brief van 16 oktober 2001 van appellantes huisarts kan naar het oordeel van de rechtbank niet blijken dat appellante meer beperkt was dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen. Ook op het psychische vlak achtte de rechtbank de beoordeling van gedaagde juist, waarbij de rechtbank nog overwoog aan de bevindingen van de rapporteur van Start Reďntegratie in het advies van 7 februari 2001 niet de betekenis te kunnen toekennen die appellante daaraan gehecht wenste te zien, reeds omdat dit advies niet is opgesteld met het oog op de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

De Raad kan zich vinden in evenvermelde overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. In de namens appellante in hoger beroep naar voren gebrachte grieven, welke in essentie neerkomen op een herhaling van hetgeen reeds in eerdere stadia van de procedure naar voren is gebracht, acht de Raad geen aanknopingspunten gelegen voor andere beschouwingen en/of een ander oordeel dan in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Niet staande kan worden gehouden dat, zoals namens appellante wordt gesteld, door gedaagde en/of de rechtbank ten onrechte dan wel op ontoereikende en/of onjuiste gronden zou zijn voorbijgegaan aan de namens appellante in het geding gebrachte medische informatie. In dit verband wijst de Raad erop dat gedaagdes bezwaarverzekeringsarts het oorspronkelijk opgestelde belastbaarheidspatroon naar aanleiding van die informatie heeft aangescherpt. Voorts wordt in de verschillende zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van die arts - de Raad wijst op de rapporten van 14 augustus 2001, 13 november 2001 en 12 februari 2002 - genoegzaam onderbouwd waarom in het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens, waaronder begrepen de bevindingen van de medisch adviseur Harmsma, het rapport van het Rug Advies Centrum en het zogeheten Advies Start Reintegratie, geen aanknopingspunten zijn gelegen om ten tijde hier van belang nog meer en/of of andersoortige beperkingen voor appellante van toepassing te achten. In het vorenoverwogene ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding aanwezig acht om, als namens appellante verzocht, een onafhankelijk medisch deskundige te raadplegen.

Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat, overweegt de Raad dat ook de bij de onderhavige schatting in aanmerking genomen functies voor appellante passend zijn te achten. Voor zover in de verwoordingen functiebelasting daarvan sprake is van markeringen, ten teken van een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende onderdelen, dan acht de Raad met de vanwege gedaagde verstrekte toelichting op die markeringen, als vervat in de rapportage algemeen van 7 december 2000, genoegzaam aannemelijk gemaakt waarom de functies geacht moeten worden binnen appellantes mogelijkheden te liggen.

Gelet op het bovenstaande, en in aanmerking nemende dat ook overigens, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet is gebleken van gronden om het bestreden besluit rechtens onjuist te achten, dient de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x