Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4914
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het nader besluit inzake de toekenning van een WAO-uitkering had moeten worden aangemerkt als wijzigingsbesluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/794 WAO en 05/158 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft L.A.M. de Groot Heupner, werkzaam als Adviseur Sociale Zekerheid bij - thans - De Groot Heupner B.V. te Wijchen, op bij beroepschrift van 18 februari 2003 (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 10 januari 2003, reg.nr. 02/344 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 maart 2005. Aldaar is appellante verschenen bij De Groot Heupner, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door R.A. van de Berkt en mr. L. Smid, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante heeft tot 1 oktober 1999 gewerkt als commercieel medewerkster bij [naam werkgever 2]. Met ingang van 1 oktober 1999 is appellante werkzaam als agrarisch adviseur bij de [naam werkgever 1], voor welke werkzaamheden zij op 18 november 1999 is uitgevallen met klachten die door haar huisarts aanvankelijk werden toegeschreven aan overspannenheid, maar later aan een bij een aanrijding van achteren op 24 februari 1999 opgelopen whiplash. In januari 2000 heeft appellante haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat. Bij besluit van 23 maart 2001 heeft gedaagde de aan appellante met ingang van 16 november 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 april 2001 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Op 26 juni 2001 is appellante gezien door de verzekeringsarts M.M.H.N. van den Broek-Duijmelinck, die op basis van de bevindingen van de klinisch psycholoog drs. M.A.O. de Bijl - die op verzoek van Van den Broek-Duijmelinck op 27 februari 2001 omtrent appellante rapporteerde - een belastbaarheidspatroon heeft opgesteld, waarbij appellante niet langer in arbeidsuren beperkt is geacht en waarbij is uitgegaan van lichte tot zware beperkingen op het fysieke vlak en een beperking op aspect 28A (werken onder tijdsdruk). De arbeidsdeskundige P.G.A.M. Braam heeft vervolgens functies geselecteerd die appellante met haar door verzekeringsarts Van den Broek-Duijmelinck vastgestelde medische beperkingen moet kunnen vervullen. Als appellantes maatmanarbeid is op grond van het rapport van De Bijl niet het laatstelijk verrichte werk van agrarisch adviseur bij de [naam werkgever 1] aangehouden, doch de tot 1 oktober 1999 verrichte werkzaamheden in de functie van commercieel medewerkster bij [naam werkgever 2]. Het hierbij behorende maatmaninkomen is afgezet tegen de mediane loonwaarde van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, hetgeen leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van circa 21%.

In overeenstemming hiermee heeft gedaagde bij besluit van 5 september 2001 de uitkering van appellante ingevolge de WAO met ingang van 5 november 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Appellante heeft daartegen bij brief van 17 september 2001 bezwaar gemaakt. Bij brief van 11 februari 2002 heeft zij bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar.

Gedaagde heeft het bezwaar bij besluit van 5 maart 2002 gegrond verklaard, het besluit van 5 september 2001 herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 5 november 2001 vastgesteld op 25 tot 35%.

Bij brief van 28 mei 2002 heeft gedaagde de rechtbank meegedeeld zich thans op het standpunt te stellen dat de uitkering van appellante ingevolge de WAO per 5 november 2001 berekend moet worden naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Een en ander is ook vastgelegd in een besluit van gelijke datum.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft zij bij die uitspraak het beroep tegen het besluit van 5 maart 2002 ongegrond verklaard.

In hoger beroep is die uitspraak door appellante (gedeeltelijk) bestreden. Appellante heeft in de eerste plaats gesteld dat gelet op het nadere besluit van gedaagde van 28 mei 2002 de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 maart 2002 ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Verder heeft appellante verzocht haar tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure aangevoerde gronden als in hoger beroep herhaald en ingelast te beschouwen.

De Raad is van oordeel dat gedaagdes nadere besluit van 28 mei 2002, waarbij de uitkering ingevolge de WAO van appellante met ingang van 5 november 2001 nader is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, gezien moet worden als een wijzigingsbesluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gedaagde heeft immers zijn besluit van 5 maart 2002 op een wezenlijk onderdeel niet gehandhaafd, namelijk wat betreft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 5 november 2001. De rechtbank had daarom moeten beslissen enerzijds op het beroep van appellante tegen het besluit van 5 maart 2002 en anderzijds op het beroep dat appellante geacht wordt mede te hebben gericht tegen het nadere besluit van 28 mei 2002. Omdat de rechtbank niet aldus heeft overwogen en beslist komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet in verband daarmee aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door appellante in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte proceskosten, welke worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Gedaagde dient tevens het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal 111,- aan haar te vergoeden.

De Raad zal nu doen hetgeen de rechtbank had moeten doen. Hij overweegt in dit verband als volgt.

Met betrekking tot het besluit van 5 maart 2002 overweegt de Raad dat appellante, gelet op het feit dat haar grieven tegen dit besluit aan de orde komen bij beoordeling van het besluit van 28 mei 2002, geen belang meer heeft bij beoordeling van dit besluit. Het tegen het besluit van 5 maart 2002 ingestelde beroep moet deswege niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot het nadere besluit van 28 mei 2002 overweegt de Raad het volgende. De partijen verdeeld houdende geschilpunten betreffen de maatmankeuze, het maatmaninkomen, de voor appellante vastgestelde beperkingen en de in de geduide functies voorkomende markeringen.

Met betrekking tot de maatmankeuze stelt de Raad voorop dat bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in beginsel als maatman dient te worden aangemerkt degene die dezelfde functie vervult als de verzekerde laatstelijk vervulde vr het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien moet worden aangenomen dat die functie als gevolg van de bij de verzekerde bestaande beperkingen van meet af aan voor hem ongeschikt is geweest.
Gedaagde heeft aanleiding gezien van de hoofdregel af te wijken en niet de agrarisch adviseur bij [naam werkgever 1] als maatman aan te nemen, doch de laatstelijk voordien verrichte functie van commercieel medewerkster bij [naam werkgever 2]. Als motivering hiervoor heeft gedaagde gesteld dat niet met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat appellante de (HBO-)functie van agrarisch adviseur bij [naam werkgever 1], ware zij niet arbeidsongeschikt geworden, naar behoren had kunnen vervullen. Gedaagde heeft hiervoor verwezen naar het rapport van de klinisch psycholoog De Bijl waarin wordt geconcludeerd dat het intelligentieniveau van appellante minimaal is voor een hogere beroepsopleiding en werkzaamheden op een dergelijk niveau en waarin twijfel wordt uitgesproken of appellantes opleiding voldoende basis biedt om haar functie bij [naam werkgever 1] vlot en adequaat uit te voeren.

De Raad is van oordeel dat appellante terecht is opgekomen tegen de door gedaagde gegeven motivering om af te wijken van de hoofdregel. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de tests die ten grondslag liggen aan het rapport van De Bijl zijn afgenomen n het ongeval en dat met die tests bovendien niet het functieniveau van appellante is getoetst, doch (slechts) het intelligentieniveau. Voor wat betreft het functieniveau heeft de oude werkgever van appellante tegenover de arbeidsdeskundige verklaard dat de functie van commercieel medewerkster bij Brokking Veevoederfabriek eveneens een functie op HBO-niveau betrof - welke mededeling gedaagde zonder nader onderzoek in twijfel heeft getrokken - en dat appellante daarin naar behoren had gefunctioneerd. Ten slotte heeft appellante er nog terecht op gewezen dat zij zonder doublures en met meer dan gemiddelde resultaten haar HBO-opleiding heeft afgerond, welke omstandigheid door gedaagde eveneens niet is meegewogen in zijn oordeel.

Het de partijen verdeeld houdende antwoord op de vraag of bij de maatmankeuze moet worden uitgegaan van de laatstelijk of laatstelijk voordien vervulde functie laat de Raad in het midden, nu gedaagde onweersproken heeft gesteld dat ook als de functie bij [naam werkgever 1] als maatgevend moet worden aangemerkt, dit niet leidt tot een ander oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, omdat de uurlonen in beide functies zo weinig verschillen dat van indeling in de naasthogere arbeidsongeschiktheidsklasse geen sprake kan zijn.

Met betrekking tot de bij appellante bestaande medische beperkingen tot het verrichten van arbeid ten tijde hier in geding overweegt de Raad dat hij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de door gedaagde vastgestelde beperkingen. Appellante heeft noch in beroep noch in hoger beroep haar standpunt dat zij verdergaand is beperkt dan door gedaagde is aangenomen onderbouwd met nadere medische gegevens.

De vraag of appellante met inachtneming van de door gedaagde vastgestelde belastbaarheid in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen, beantwoordt de Raad bevestigend. Met betrekking tot deze functies merkt de Raad allereerst op dat gedaagde de schatting uiteindelijk heeft gebaseerd op de functies commercieel administratief medewerkster, inpakster/assistent machineleider en samensteller metaalproducten, welke functies ieder voor zich en in totaal voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. De Raad is van oordeel dat de belasting van deze functies de belastbaarheid van appellante niet te boven gaat. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat gedaagde afdoende heeft gemotiveerd waarom de functies die zijn voorzien van een of meer asterisken ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid voor haar geschikt moeten worden geacht. Hierbij tekent de Raad aan da de asterisken bij de aspecten 28B, 28D, 28E, 28F, 28G, en 28H een beperking is aangenomen.

Vergelijking van het maatmaninkomen met de resterende verdiencapaciteit leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van circa 37%. Indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% zoals bij het besluit van 28 mei 2002 is geschiedt, is derhalve terecht.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 28 mei 2002 ongegrond is.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep van appellante tegen het besluit van 5 maart 2002 alsnog niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat appellante geacht wordt mede te hebben gericht tegen het besluit van gedaagde van 28 mei 2002, ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot 644,- en in hoger beroep tot een bedrag groot 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van in totaal 111,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x