Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4923
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Medische beperkingen. Functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/2940 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te Utrecht, appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 5 februari 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 maart 2001 ingetrokken, onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Namens appellante heeft mr. E.J. Dennekamp, werkzaam bij Dennekamp letselschade te Utrecht, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 mei 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 2 mei 2003, nummer SBR 02/1226, het beroep tegen het besluit van 10 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. Dennekamp, voornoemd, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.

Van de zijde van appellante zijn de beroepsgronden aangevuld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 26 maart 2001, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De rechtbank heeft in de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat door gedaagde ten aanzien van appellante een juist medisch oordeel ten aanzien van het verrichten van arbeid is aangenomen.

De van de zijde van appellante in bezwaar en beroep, en thans wederom in hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Appellante is de mening toegedaan dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft bepaald dat de verzekeringsartsen bij haar niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Appellante is van mening dat zij aanzienlijke bewegingsbeperkingen bij het gebruik van de nek heeft, waardoor zelfs normaal gebruik van de nek niet mogelijk is. Voorts heeft zij zich op het standpunt gesteld dat gedaagdes verzekeringsartsen onvoldoende gemotiveerd hebben waarom, met name gezien haar nekklachten, zij appellante in staat achten de voorgehouden functies te vervullen.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. Anders dan appellante onderschrijft de Raad de overweging van de rechtbank dat het rapport van neuroloog prof. dr. J.C. Koetsier geen aanleiding geeft te veronderstellen dat appellante tevens beperkt moet worden geacht voor statische nekbelasting in voorovergebogen houding.

De Raad neemt voorts in aanmerking dat van de zijde van appellante geen medische gegevens in het geding zijn gebracht die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellante in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan de beperkingen die reeds door gedaagdes verzekeringsartsen in aanmerking zijn genomen. Om deze reden kan derhalve ook niet worden gesteld dat de geduide functies de belastbaarheid van appellante te boven gaan.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante erop gewezen dat de functie fotolaborant - welke volgens de rechtbank blijkens de aangevallen uitspraak vanwege haar oordeel dat de de functie bestelautochauffeur dient te vervallen, de schatting mede kan dragen - een actualiteitsdatum kent die meer dan anderhalf jaar vr de datum in geding ligt, zodat deze functie niet voor de schatting gebruikt had mogen worden.

Zoals reeds eerder overwogen in zijn uitspraak van 3 februari 2004 (LJN AO5188) wijst de Raad er in dit verband op dat functies voldoende realiteitswaarde dienen te hebben, wat onder meer tot uitdrukking komt in het bepaalde in artikel 3, tweede lid, en artikel 4 van het het ten tijde van de datum in geding geldende Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong. Dit geldt evenzeer onder de werking van het ten tijde van de datum thans geldende schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Naar het oordeel van de Raad brengt een afwijking van de in de praktijk toegepaste werkwijze dat na (ongeveer) anderhalf jaar functies in het FIS-systeem worden geactualiseerd - die bij de Raad overigens geen bedenkingen ontmoet - nog niet mee dat een schatting daardoor voldoende realiteitswaarde ontbeert. Hiervan kan naar het oordeel van de Raad onder omstandigheden sprake zijn bij een aanzienlijke afwijking van die termijn van anderhalf jaar. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in dit geval evenwel , gelet op de actualiseringsdatum van deze functie, te weten 7 september 1999, geen sprake.

Ook de grief dat uit gedingstuk B21.2 - de aanzegbrief van de arbeidsdeskundige van 25 januari 2001 - naar voren zou komen dat de functie fotolaborant op die datum niet aan appellante voorgehouden is, en dus ook om die reden niet gebruikt had mogen worden voor de schatting, kan de Raad niet volgen nu in het rapport van de arbeidsdeskundige M. Voorneveld van 25 januari 2001 duidelijk vermeld staat dat deze functie met haar besproken is. Tevens meldt de arbeidsdeskundige de verzending van de verkorte functieomschrijving naar appellante.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x