Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4928
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Vastgestelde belastbaarheid. Niet gebleken is dat medische beperkingen zijn onderschat.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/3161 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 9 november 2001 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Namens appellant heeft P.L.E. Maessen, werkzaam bij de Nederlandse Vereniging voor Beroepschauffeurs, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 maart 2002 heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 19 mei 2003, nummer AWB 2002/564 WAO Z, het beroep tegen het besluit van 8 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij appellants arbeidsongeschiktheidklasse bepaald was op 35 tot 45% en voor het overige het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts bepaald dat met ingang van 1 januari 2002 appellants mate van arbeidsongeschiktheid 45 tot 55% is.
Voorts heeft de rechtbank gedaagde veroordeeld in de door appellant gemaakte proceskosten en geleden renteschade en bepaald dat gedaagde het griffierecht aan appellant vergoedt.

Namens appellant is Maessen, voornoemd, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door Maessen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. K. van der Wal, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 1 januari 2002, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellant met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De rechtbank heeft in de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat door gedaagde ten aanzien van appellant een juist medisch oordeel ten aanzien van het verrichten van arbeid is aangenomen. In beroep heeft gedaagde vanwege wisseldiensten een aantal functies laten vervallen, waardoor appellant in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse kwam. Dit gewijzigde standpunt van gedaagde voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is door de rechtbank in haar uitspraak onderschreven.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van in rechte stand kan houden.

De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Appellant is de mening toegedaan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de medische beperkingen juist en volledig zijn vastgesteld en dat appellant op grond van de bestaande medische beperkingen in staat moet worden geacht inkomen te verwerven met algemeen geaccepteerde arbeid. Appellant tekent aan dat er sedert het arbeidsongeval van 7 januari 2000 nog steeds geen sprake is van een stabiele eindtoestand. Ondanks diverse operaties bestaan de klachten aan schouder, nek, oren en mond nog steeds. Gedaagdes verzekeringsartsen hebben naar de mening van appellant de bevindingen en resultaten van de behandelende sector naast zich neergelegd en het belastbaarheidspatroon niet correct en volledig vastgesteld.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunten gevonden te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat gedaagdes verzekeringsarts L. Sijben, die appellant eerder en voor de eerste operatie in april 2001 aan zijn rechterschouder medisch onderzocht had, tijdens het spreekuurbezoek op 20 september 2001, ondanks dat appellant zelf aangaf dat de situatie door de operatie eerder verslechterd was, na medisch onderzoek een verbetering ten opzichte van april 2001 constateerde. Appellant gaf op het spreekuurcontact aan niet meer onder behandeling van de orthopeed te staan en enkel over een jaar een controle afspraak te hebben. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de Raad al eerder heeft geoordeeld dat een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel af mag gaan valt niet in te zien dat het besluit van de verzekeringsarts om geen informatie bij de behandelende sector op te vragen in de onderhavige zaak in strijd zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel. Hetzelfde kan voorts gesteld worden van het medisch onderzoek verricht door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts J. Jonker. Blijkens haar rapport van 10 januari 2002 heeft zij na de hoorzitting eigen onderzoek verricht, waaruit zij concludeerde dat de functie van de nek normaal was en die van de rechterschouder heel redelijk en alleen in uiterste stand beperkt was. Zij achtte reŽle beperkingen bij het gebruik van de rechterarm aanwezig, en kon zich verenigen met de in het belastbaarheidspatroon aangegeven beperkingen bij zwaar tillen, veelvuldig reiken en bovenhands werken. De Raad kan zich voorts vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op de grief in eerste aanleg dat er tijdens de bezwaarprocedure geen informatie bij de behandelende sector opgevraagd was. Zij stelt, in haar rapport van 6 mei 2002, dat dit inderdaad niet gebeurd is omdat appellant zelf op de hoorzitting gemeld had dat de orthopedisch chirurg geen indicatie zag voor een nieuwe operatie, dat er - weliswaar van eerdere datum - al een verklaring van de chirurg zich in het dossier bevond en dat zij zelf lichamelijk onderzoek had verricht. De Raad merkt daarbij op dat de eerste melding van een mogelijk 2e operatie in het beroepsschrift van 17 april 2002 is. Deze operatie vond daadwerkelijk plaats in mei 2002, derhalve na de datum in geding.

Van de zijde van appellant zijn geen medische gegevens in het geding zijn gebracht die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellant in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan de beperkingen die reeds door gedaagdes verzekeringsartsen in aanmerking zijn genomen.

Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellants medische beperkingen niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht en ook overigens niet geschikt zouden zijn.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende beslissing.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x