Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT4999
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Is terecht aangenomen dat betrokkene met de bij hem vastgestelde beperkingen in staat was de geduide functies te verrichten?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/990 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant] te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Arnhem op 29 januari 2003 onder kenmerk 02/673 WAO gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 maart 2005, waar appellant en zijn gemachtigde met voorafgaand bericht niet zijn verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R.A. van de Berkt en mr. L. Smid, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Met een besluit van 5 oktober 2000 heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die sedert 1 september 1999 rekening houdend met de inkomsten van gedaagde uit werkzaamheden als chauffeur c.q. hulpkracht gedurende 20 uren per week werd berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80, met ingang van 9 augustus 2000 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant ondanks de beperkingen ten gevolge van heup-, knie- en enkelklachten in staat wordt geacht gedurende de normale arbeidstijd gangbare arbeid te verrichten.

In bezwaar heeft appellant doen aanvoeren dat gedaagde zijn beperkingen heeft onderschat en dat hij niet in staat is om gedurende meer dan 20 uren per week werkzaam te zijn. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij op de wachtlijst is geplaatst voor een heupoperatie. Gedaagde heeft appellants bezwaar bij besluit van 4 maart 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij verwezen naar de rapportages van het bezwaarteam en de bezwaararbeidsdeskundige. Daaruit komt samengevat naar voren dat de toegenomen ernst van de beperkingen van appellant niet behoeft te leiden tot een wijziging van het belastbaarheidspatroon, omdat voorheen de belastbaarheid vanuit preventief oogpunt al verder werd beperkt dan strikt noodzakelijk was, dat een urenbeperking conform de verzekeringsgeneeskundige standaard ‘verminderde arbeidsduur’ niet aan de orde is en dat de vastgestelde restverdiencapaciteit correct is berekend.

Appellant heeft in beroep zijn in bezwaar naar voren gebrachte stellingen herhaald en onder verwijzing naar de ‘totalhip-operatie’ die hij op 19 december 2000 heeft ondergaan aangegeven dat op de datum in geding van geschiktheid voor de functies die de arbeidsdeskundige hem heeft voorgehouden geen sprake was. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard, daarbij overwegend dat er gelet op de beschikbare medische gegevens onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door gedaagde vastgestelde beperkingen. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat plaatsing op een wachtlijst voor een operatie nog geen toegenomen beperkingen impliceert, terwijl appellant geen informatie van behandelend artsen in het geding heeft gebracht waaruit een beredeneerd oordeel afwijkend van dat van de (bezwaar)verzekeringsarts van gedaagde blijkt.

In hoger beroep heeft appellant volstaan met een verwijzing naar de eerder betrokken stellingen en aangekondigd die voor zover mogelijk met nadere medische gegevens te zullen onderbouwen. Aanvullende gegevens zijn niet bij de Raad ontvangen.

In geding is of gedaagde terecht heeft aangenomen dat appellant op 9 augustus 2000 met de bij hem vastgestelde beperkingen in staat was de geduide functies te verrichten.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

Daartoe overweegt de Raad het volgende. Uit de voorhanden zijnde medische gegevens blijkt een gestage toename van de heupaandoening van appellant in een reeks van jaren leidend tot het in het najaar van 2000 uitgesproken oordeel van de behandelend artsen dat een operatie is aangewezen. Er blijkt evenwel niet dat de door de (bezwaar)verzekeringsarts van gedaagde aangenomen belastbaarheid van appellant als neergelegd in de verwoording belastbaarheid de mogelijkheden van appellant op de datum in geding te boven ging. Met name gelet op de omstandigheid dat uit de gedingstukken is af te leiden dat appellant zijn werkzaamheden als chauffeur c.q. hulpkracht nog tot aan de dag van de knieoperatie heeft voortgezet, ziet ook de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen.

Voor het standpunt van appellant dat de plaatsing op de wachtlijst voor een heupoperatie een toename van de beperkingen impliceert, ziet de Raad in de beschikbare stukken - nog daargelaten dat uit de medische kaart van de huisarts van appellant blijkt dat van een verwijzing naar een orthopedisch chirurg eerst op 28 september 2000 en van een besluit tot operatie eerst op of omstreeks 1 november 2000 sprake was - geen aanknopingspunten. De stelling dat hij op medische gronden niet in staat was om gedurende meer dan 20 uren per week arbeid te verrichten, is door appellant, net zo min als de stelling dat de later vastgestelde longaandoening de gestelde vermoeidheidsklachten in de zomer van 2000 verklaart, niet met medische gegevens onderbouwd.

Naar het oordeel van de Raad kon appellant in staat worden geacht tot het verrichten van de functies die gedaagde - na het laten vervallen van de functie van metaalperser bediende met fb-code 8364 in verband met het aan die functie verbonden opleidingsniveau - aan de schatting ten grondslag heeft gelegd. De belasting in de resterende functies gaat de belastbaarheid van appellant op de datum in geding niet te boven. Gedaagde heeft met het bestreden besluit de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van 9 augustus 2000 terecht gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %.

Gezien het vorenstaande treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak bevestigd te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x