Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5211
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Grieven van de werkgever tegen toekenning van een volledige WAO-uitkering aan de werknemer.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2403 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft [gemachtigde 1], werkzaam bij de [werkgever] te [vestigingsplaats], op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht onder dagtekening 15 maart 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer: Awb 01/362.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 2004, waar voor appellante zijn verschenen [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3], werkzaam bij de [werkgever], en waar namens gedaagde is verschenen mr. K.D. van Someren, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Tevens heeft de enkelvoudige kamer van de Raad besloten de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer van de Raad.

De werknemer van appellante [naam werknemer] te [woonplaats 2] heeft de Raad desgevraagd meegedeeld niet als partij aan de procedure te willen deelnemen. Tevens heeft hij meegedeeld wel toestemming te geven om zijn medische gegevens ter kennisname van appellante te brengen.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 22 maart 2005. Voor appellante is daar verschenen [gemachtigde 2], voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 14 februari 2000 heeft gedaagde aan appellantes werknemer [naam werknemer] (hierna: de werknemer), in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 19 januari 2000 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 5 februari 2001 heeft gedaagde het namens appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Dordrecht heeft het namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 5 februari 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

In geding is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat in hoger beroep, naar desgevraagd door de gemachtigde van appellante is bevestigd, niet langer bezwaren van principiŽle aard met betrekking tot de medische besluitenregeling aan de orde zijn. Het gaat appellante nog slechts om de vraag of, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, de toekenning aan de werknemer met ingang van 19 januari 2000 van een naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende WAO-uitkering in rechte stand kan houden.

Appellante houdt staande dat die toekenning niet terecht is. Appellante wijst ter onderbouwing van haar opvatting op het volgende.

De werknemer heeft zich op 19 januari 1999 ziek gemeld, nadat hij te horen had gekregen dat zijn contract voor bepaalde tijd, dat zou aflopen op 23 januari 1999, niet zou worden verlengd. Die ziekmelding is door de door appellante ingeschakelde arbodienst wegens de psychische klachten van de werknemer geaccepteerd, met de aantekening evenwel dat herstel op korte termijn te verwachten viel. De controle is op 22 januari 1999 overgeheveld naar gedaagde en de eerste controle nadien is door een verzekeringsarts van gedaagde verricht op 3 maart 1999. Bij die controle bleek dat de werknemer inmiddels op 19 februari 1999 betrokken was geraakt bij een verkeersongeval, als gevolg waarvan bij de werknemer ook lichamelijke problemen waren ontstaan.

Appellante stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat, gezien de bevindingen van de arboarts inzake een te verwachten slechts kortdurend verzuim van de werknemer, direct een hersteld melding na afloop van het dienstverband had kunnen en moeten plaatsvinden. Er zou dan geen sprake zijn geweest van een doorlopend arbeidsongeschiktheidsgeval vanaf 19 januari 1999, zoals thans door gedaagde tot uitgangspunt is genomen bij het nemen van het bestreden besluit. Er zou dan als gevolg van het verkeersongeval op 19 februari 1999 een nieuw arbeidsongeschiktheidsgeval een aanvang hebben genomen, op een moment derhalve waarop de werknemer niet langer in dienst was van appellante. Appellante zou dan geen ďPemba-werkgeverĒ zijn die op termijn geconfronteerd zou worden met hogere premielasten als gevolg van de toekenning van een WAO-uitkering aan de werknemer.

Gedaagde had de controle na de overheveling daarvan per 22 januari 1999 in de optiek van appellante ook voortvarender ter hand moeten nemen, zodat gedaagde feitelijk had kunnen vaststellen dat de oorspronkelijke oorzaak van uitval inderdaad, conform de verwachting van de arbo-arts, was geweken.

Los van het vorenstaande bestrijdt appellante de onderhavige toekenning ook op de grond dat de ten aanzien van de werknemer in aanmerking genomen beperkingen niet juist zijn. Onder verwijzing naar een rapport van 15 september 2000, opgesteld door de arts-gemachtigde A.D.C. Huijsmans, stelt appellante zich op het standpunt dat gedaagde van te zware beperkingen is uitgegaan. In het bijzonder is appellante op grond van de bevindingen en conclusies van genoemde arts-gemachtigde van oordeel dat er ten onrechte beperkingen van de nek van de werknemer zijn aangenomen. Er zou naar de zienswijze van Huijsmans slechts sprake zijn van lage rugklachten en in elk geval niet (mede) van whiplash of anderszins van nekklachten. Daarnaast zouden ten onrechte beperkingen van psychische aard zijn aangenomen.

De Raad ziet de grieven van appellante in navolging van de rechtbank niet slagen. Naar de rechtbank terecht heeft vastgesteld is, in de eerste plaats, tussen partijen niet in geschil dat de werknemer zich op 19 januari 1999 heeft ziek gemeld, en staat tevens vast dat er ter zake van dat ziektegeval geen sprake is geweest van een hersteld melding door de werknemer of van een hersteld verklaring door gedaagde. Op 19 februari 1999, de dag van het ongeval, was er derhalve sprake van een op dat moment nog lopend ziektegeval. Eveneens terecht heeft de rechtbank overwogen dat bij de beoordeling van de in dit geding voorliggende rechtsvraag slechts van belang is of de werknemer vanaf 19 januari 1999 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19 van de WAO. Dat de aanvankelijke oorzaak van arbeidsongeschiktheid van de werknemer mogelijkerwijs een (naar verwachting) kortdurend karakter heeft gehad en dat de oorzaak van de blijvende arbeidsongeschiktheid van de werknemer zich wellicht heeft voorgedaan na het beŽindigen van het dienstverband met appellante, is niet van belang.

Voorts overweegt de Raad dat de grief van appellante dat bij een tijdiger controle door gedaagde mogelijkerwijs had kunnen worden vastgesteld dat de werknemer op enig tijdstip voorafgaande aan het ongeval al hersteld was van de oorspronkelijke ziekte waarmee hij op 19 januari 1999 was uitgevallen, geen doel kan treffen, reeds omdat die grief gebaseerd is op een volstrekt speculatief te achten aanname. De beschikbare medische gegevens verlenen aan een dergelijke eerdere hersteld verklaring onvoldoende steun. Dit klemt te meer nu, zoals ook gedaagde heeft opgemerkt, een hersteld verklaring appellante slechts zou hebben gebaat indien deze zou hebben plaatsgevonden op een zodanig tijdstip dat de werknemer op 19 februari 1999 ten minste vier weken arbeidsgeschikt zou zijn geweest, zulks gelet op de in het tweede lid van artikel 19 van de WAO vervatte regeling dat voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Ten slotte overweegt de Raad in dit verband nog dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om appellante te kunnen volgen in haar opvatting dat gedaagde onzorgvuldig en verwijtbaar heeft gehandeld door de werknemer voor het eerst op 3 maart 1999 te controleren.

Ook de grief van appellante inzake de door gedaagde ten aanzien van de werknemer in aanmerking genomen beperkingen faalt. Uit de beschikbare medische gegevens komt zonder meer naar voren dat de werknemer als gevolg van het hem overkomen verkeersongeval ook nekklachten heeft opgelopen. Zulks blijkt genoegzaam uit het rapport van 9 december 1999 van gedaagdes verzekeringsarts C. Kloosterman, terwijl die arts dat nog eens heeft bevestigd in diens reactie van 6 november 2000 op het rapport van de arts-gemachtigde Huijsmans. Ook de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink heeft in diens rapportage van 20 juli 2000 aangegeven dat en waarom de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts Kloosterman voor juist dienen te worden gehouden. De Raad kan zich daarin vinden, waarbij de Raad opmerkt dat de andersluidende opvatting van Huijsmans een genoegzame objectief-medische onderbouwing mist. Voorts zijn er evenmin genoegzame objectief-medische gronden om het ervoor te houden dat gedaagde ten onrechte zou zijn uitgegaan van de aanwezigheid bij de werknemer van zekere spanningsklachten en cognitieve klachten. De Raad heeft aldus onvoldoende grond om mee te kunnen gaan met de zienswijze van appellante dat het opgestelde belastbaarheidspatroon niet reŽel zou zijn. Niet bestreden is voorts - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat er voor de werknemer, gegeven de van toepassing geachte beperkingen, onvoldoende functies vallen te duiden waarop een schatting kan worden gebaseerd.

De Raad komt aldus tot de slotsom dat er geen aanknopingspunten zijn om de in het bestreden besluit vervatte toekenning van uitkering aan de werknemer, gebaseerd op een volledige mate van arbeidsongeschiktheid, rechtens niet juist te achten. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x