Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5215
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bijzondere toestemming. Is er sprake van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM? Eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3513 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats ], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

Aan het geding heeft voorts deelgenomen:

[naam werknemer], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de werknemer.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 26 april 1999 heeft gedaagde aan de werknemer met ingang van 23 april 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Bij besluit van 1 maart 2000 heeft gedaagde het namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 21 mei 2002, reg.nr. 00/287 WAO P06 G01, het namens appellante door [gemachtigde], belastingadviseur te [vestigingsplaats ], ingestelde beroep tegen het besluit van 1 maart 2000 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. W.R.H. Jager, advocaat te Ede, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief gedateerd 16 juni 2004 heeft de griffier van de Raad aan de werknemer medegedeeld dat er hoger beroep is ingesteld en dat hij, gelet op artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan verzoeken om als partij aan het geding deel te nemen. Bij deze brief is tevens verzocht om aan te geven of hij al dan niet toestemming geeft om appellante inzage te geven in zijn medische gegevens.

De werknemer heeft de Raad hierop laten weten wel aan het geding deel te willen nemen maar de gevraagde toestemming te onthouden. Namens hem heeft mr. A.A.M. Struik, advocaat te Utrecht, daartoe uitgenodigd door de Raad, nog een schriftelijke uiteenzetting gegeven over de zaak.

Bij brief van 28 oktober 2004 heeft de Raad mededeling gedaan van zijn beslissing dat onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb de gemachtigde van appellante inzage dient te krijgen in de zich in het dossier bevindende medische stukken.

Namens appellante is een nader schrijven van 4 januari 2005 in het geding gebracht.

Namens de werknemer heeft mr. Struik nog een uitgebreide reactie op de door partijen ingenomen standpunten ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 maart 2005, waar voor appellante is verschenen de heer [gemachtigde], bijgestaan door mr. Jager voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. A. van den Os, werkzaam bij het Uwv. Tevens is verschenen de werknemer, bijgestaan door [gemachtigde 2], kantoorgenoot van mr. Struik voornoemd.




II. MOTIVERING


Appellantes gemachtigde heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank hem ten onrechte geen bijzondere toestemming heeft verleend als bedoeld in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft, na te hebben vastgesteld dat de werknemer geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens ter inzage aan appellante te geven, de medische besluitenregeling buiten toepassing gelaten en in plaats daarvan appellantes gemachtigde in kennis gesteld van haar beslissing om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft evenwel de gemachtigde van appellante niet aangemerkt als een gemachtigde als bedoeld in meergenoemd artikel, omdat hij geen advocaat is.

De Raad overweegt dienaangaande, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 oktober 2003, LJN AN7978, dat niet is gebleken van enige deugdelijke grond om appellantes (voormalige) gemachtigde geen bijzondere toestemming te verlenen als bedoeld in in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, en oordeelt dat de aangevallen uitspraak om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Nu is vastgesteld dat de aangevallen uitspraak behoort te worden vernietigd zal de Raad doen wat de rechtbank had behoren te doen.

In dit verband overweegt de Raad eerst het volgende: Zoals aangegeven in rubriek I heeft de Raad in hoger beroep aan appellantes gemachtigde wel bijzondere toestemming verleend voor kennisname van de medische stukken, door artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, op (de medische stukken in) het dossier van toepassing te verklaren.

Mr. Jager heeft na ontvangst van de medische stukken de ingenomen stelling gehandhaafd dat er niet is voldaan aan de voorwaarden voor een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu weliswaar aan hem als raadsman nadere gegevens zijn verstrekt, maar appellante daarvan zelf geen kennis mag nemen.

Dit standpunt kan de Raad niet onderschrijven.

Uit zijn uitspraak van 20 juli 2001, LJN AB2857, volgt dat aan de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende elementaire eisen ten aanzien van een eerlijk proces naar het oordeel van de Raad wel wordt voldaan, indien in procedures in beroep en in hoger beroep door de administratieve rechter, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, wordt bepaald dat inzage in dan wel de kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen en dat deze gemachtigde - voor zover het de medische aspecten betreft - in de plaats van de werkgever treedt.

De Raad heeft al vaker overwogen te onderkennen dat de werkgever aldus nog niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, doch is van mening dat de gemachtigde van de werkgever in staat moet worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever in voldoende mate te behartigen.

Met betrekking tot het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt.

In beroep heeft appellante zich uitsluitend gekeerd tegen het standpunt van gedaagde dat de eerste dag van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WAO van de werknemer 14 april 1998 is, toen de werknemer in dienst was van appellante. Appellante heeft naar voren gebracht dat deze datum eerder ligt, en wel in de tijd dat de werknemer in dienstbetrekking bij [naam voormalige werkgever] werkzaam was, tot 23 maart 1998. In hoger beroep heeft appellante deze stelling herhaald.

De rechtbank heeft, gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van Hal-Dik van 24 januari 2000, deze stelling van appellante verworpen. Hiertoe heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts onder meer heeft overwogen dat [werknemer] zich bij zijn vorige werkgever niet ziek heeft gemeld, de huisarts niet heeft bezocht en hij zich niet arbeidsongeschikt voelde. Overigens is er geen medische informatie die het standpunt van eiseres ondersteunt.

De rechtbank merkt op dat weliswaar niet geheel kan worden uitgesloten dat [medewerkers] ziekte in enigerlei mate “in wording” was, maar acht dit vanuit het systeem van arbeidsongeschiktheidsverzekering en premiedifferentiatie niet van belang. De rechtbank verwijst hiervoor naar de tekst van artikel 19, eerste lid, tweede volzin, van de WAO waarin is aangegeven:

"Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt".

Deze keuze van de wetgever brengt met zich mee dat onder bepaalde omstandigheden sprake is van een juridische fictie.

De Raad is van oordeel dat geen der partijen nadere gegevens, medisch of anderszins, in het geding hebben gebracht die de reeds hiervoor aangehaalde door de bezwaarverzekeringsarts Van Hal-Dik in haar rapportage van 24 januari 2000 neergelegde conclusie dat er geen reden is om te twijfelen aan de eerste ziektedag van 14 april 1998 in een ander licht stellen.

Hierbij onderschrijft de Raad de uitleg die de rechtbank aan artikel 19 van de WAO heeft gegeven.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 327,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x