Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5230
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering toe te kennen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4279 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 11 juli 2002, nummer AAWAO 01/644, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft onder dagtekening 15 oktober 2002 een verweerschrift ingediend en onder dagtekening 28 juli 2004 daarop een aanvulling gegeven. Bij brief van 31 augustus 2004 heeft appellant een nadere reactie gegeven. Gedaagde heeft daarop bij brief van 28 september 2004 gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 oktober 2004, waar voor appellant is verschenen mr. Klinkert en waar namens gedaagde is verschenen mr. A. van den Os, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brieven van 20 oktober 2004 en 28 oktober 2004 heeft gedaagde de Raad inlichtingen verstrekt en stukken overgelegd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

Appellant heeft gewerkt als medewerker interne dienst voor 17,5 uur per week in loondienst. Daarnaast werkte hij nog ongeveer 25 uur per week als zelfstandige. Appellant is vanwege rugklachten en een arbeidsconflict uitgevallen.

Appellant wordt geschikt geacht voor functies die voor zijn belastbaarheid berekend zijn en waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% is. Bij besluit van 23 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd appellant met ingang van 27 april 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, aangezien appellant naar het oordeel van gedaagde voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 27 april 2001, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2000 ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - kort gezegd - geoordeeld dat de medische belastbaarheid van appellant door gedaagde niet onjuist is vastgesteld en dat appellant in staat is de geselecteerde functies te vervullen.

In hoger beroep stelt appellant zich primair op het standpunt dat hij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is op de datum in geding.

De Raad oordeelt als volgt.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad is ook de Raad van oordeel dat uitgaande van de datum 27 april 2000 de belastbaarheid van appellant juist is vastgesteld door de verzekeringsarts A.J. Werner in de door hem op 8 februari 2000 opgestelde verwoording belastbaarheid. Voorts heeft de verzekeringsarts J.M. Fokke tijdens de bezwaarschriftprocedure voldoende overtuigend uiteengezet waarom appellant niet als een zogeheten "medische afzakker" kan worden beschouwd.

Aan de eigen, in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand op de datum in geding kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan gehecht wil zien. Voorts ziet ook de Raad, gelet op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 18 maart 2002 naar aanleiding van vragen van de rechtbank, geen aanleiding om in verband met de ziekmelding van appellant op 4 december 2000 een deskundige in te schakelen.

Wat betreft het arbeidskundig aspect van de onderhavige beoordeling overweegt de Raad dat de gemachtigde van appellant bij brief van 31 augustus 2004 erop heeft gewezen dat er naar haar mening op arbeidskundige gronden, te weten wisseldienst met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden in vier van de zes voor appellant geschikt geachte functies, slechts twee functies overblijven, te weten: fbc 3804 administratief medewerker klantenzaken met 8 arbeidsplaatsen; fbc 8463 samensteller metaalproducten met 28 arbeidsplaatsen.

Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 27 maart 2000 blijkt dat die functies op 1 oktober 1999, respectievelijk 29 oktober 1999 zijn geactualiseerd.

Bij brief van 28 september 2004 heeft gedaagde de juistheid van appellants standpunt erkend. Omdat er hier sprake is van een zogeheten einde wachttijd besluit heeft gedaagde, naast andere functies, onder meer de functie fbc 8364, assemblagemedewerker met 9 arbeidsplaatsen, als nieuwe voor de schatting in aanmerking te nemen functie in geding gebracht en de stukken die op die functie betrekking hebben, overgelegd.

Ter zitting van de Raad heeft appellants gemachtigde onder meer aangevoerd dat alle alsnog in geding gebrachte functies een actualiseringsdatum hebben die gelegen is ver na de datum in geding, zodat deze niet aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd.

Vervolgens heeft gedaagdes gemachtigde verzocht om aanhouding zodat hij door de arbeidsdeskundige alsnog kon laten bezien of de functies ook op de datum in geding in het Functie Informatie Systeem (FIS) voor kwamen.

De gemachtigde van appellant heeft desgevraagd verklaard tegen aanhouding geen bezwaar te hebben. Zij heeft voorts aangevoerd dat, indien het beroep alsnog ongegrond zou worden verklaard, naar aanleiding van hetgeen alsnog in geding wordt gebracht, er een proceskostenveroordeling ten laste van gedaagde zou moeten worden uitgesproken, omdat gedaagde pas in hoger beroep in een zeer laat stadium de schatting heeft onderbouwd.

Bij brief van 20 oktober 2004 heeft gedaagde stukken overgelegd waaruit onder meer blijkt dat de functie fbc 8364, assemblagemedewerker met 9 arbeidsplaatsen, op 3 maart 2000 in het FIS voor kwam.

Hieruit volgt dat de onderhavige schatting alsnog op de hiervoor genoemde drie functies, die in medisch opzicht passend voor appellant kunnen worden geacht en die ook voldoende arbeidsplaatsen hebben, kan worden gebaseerd. Niet betwist is dat een schatting op de drie genoemde functies een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% oplevert, zoals de bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun in zijn rapport van 27 september 2004 heeft berekend.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat bij de aangevallen uitspraak ten onrechte het bestreden besluit in stand is gelaten, omdat bij zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit reeds toen de in hoger beroep alsnog overlegde gegevens daarbij hadden kunnen worden betrokken. Voorts moet worden vastgesteld dat de motivering van het bestreden besluit ondeugdelijk is. Dusdoende is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen zodat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

Nu tevens vaststaat dat appellant op zich terecht bij het bestreden besluit een uitkering ingevolge de WAO is geweigerd, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep , in totaal 1.288,-.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende beslissing.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x