Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5231
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De omvang van het geding is beperkt tot de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid lager was dan bij het bestreden besluit was aangenomen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/6559 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een onder dagtekening 4 december 2002 door de rechtbank ís-Gravenhage gegeven uitspraak in het geding met reg.nr. Awb 01/4460 WAO, waaraan appellant ex artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als partij heeft deelgenomen.

Bij brief van 13 maart 2003 heeft [gemachtigde] zich alsnog als gemachtigde van appellant gesteld.

Gedaagde heeft bij schrijven van 20 maart 2003 van verweer gediend.

Bij brief van 20 mei 2003 heeft gedaagde nog enige stukken ingezonden.

Ambtshalve heeft de Raad aan de gedingstukken toegevoegd de stukken betreffende het tussen partijen gevoerde en bij de rechtbank ís-Gravenhage als zodanig onder reg.nr. Awb 01/4480 WAO geregistreerde geding.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 februari 2005, waar appellant is verschenen bijgestaan door [gemachtigde], voornoemd, als zijn raadsman en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.E.A. Smit, werkzaam bij het UWV.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 8 mei 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 juni 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Zowel appellant als zijn toenmalige werkgever [naam werkgever] hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Appellant omdat hij van mening was volledig arbeidsongeschikt te zijn, althans meer dan gedaagde bij het besluit heeft aangenomen, en de werkgever omdat deze van mening was dat appellant niet, althans in mindere mate, arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 5 november 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het besluit van 8 mei 2001 gehandhaafd, onder ongegegrondverklaring van de door appellant en zijn werkgever daartegen gerichte bezwaren.

Appellant en zijn werkgever hebben ieder afzonderlijk tegen het bestreden besluit bij de rechtbank beroep ingesteld. Deze gedingen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder de nrs.: 01/4480 WAO (waarin appellant partij was) en 01/4460 WAO (waarin de werkgever partij was). Bij brief van 31 januari 2002 heeft appellant het door hem ingestelde beroep (geding 01/4480 WAO) ingetrokken. Bij brief van 4 februari 2002 heeft de rechtbank in het geding 01/4460 WAO appellant in de gelegenheid gesteld als derde partij aan het geding deel te nemen, omdat zijn belang rechtstreeks bij het bestreden besluit was betrokken. Bij brief van 5 februari 2002 heeft appellant aan de rechtbank kenbaar gemaakt van die gelegenheid gebruik te maken. De werkgever heeft in beroep zijn standpunt dat de medische beperkingen van appellant onjuist waren ingeschat, niet gehandhaafd. De rechtbank heeft daarop, zoals blijkt uit de aangevallen uitspraak, het geschil tussen de werkgever en gedaagde beperkt geacht tot uitsluitend de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en als haar oordeel gegeven dat deze deugdelijk is.

In hoger beroep voert appellant aan dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ten tijde hier in geding 80 tot 100% bedroeg, althans een hoger percentage dan bij het bestreden besluit is aanvaard.

De Raad overweegt dat de rechtsstrijd in het geding 01/4460 WAO tussen de werkgever en gedaagde de vraag betrof of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant lager was dan bij het bestreden besluit was aangenomen. In dit geding, waaraan appellant als derde-partij heeft deelgenomen, was de omvang ervan, gelet op het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, derhalve beperkt tot die vraag. In dit geding kon niet aan de orde komen de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55% was onderschat. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak terecht die vraag dan ook niet in haar oordeelsvorming betrokken.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend kan in dit hoger beroep, waarin de aangevallen uitspraak centraal staat, laatstgenoemde vraag evenmin aan de orde komen. Nu appellant uitsluitend die vraag in hoger beroep aan de Raad heeft voorgelegd, kan het hoger beroep geen deel treffen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x