Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5338
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om terug te komen op intrekking WAO-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten, maar andere interpretatie van reeds bekende feiten. Verzoek heropening recht op uitkering afgewezen. Beleid. Beroep op het gelijkheidsbeginsel.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4362 WAO en 03/4363 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is door mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, op in aanvullende beroepschriften vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen door de rechtbank Amsterdam tussen partijen gegeven uitspraken (reg.nrs AWB 02/1192 WAO en AWB 02/1191 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 9 maart 2005, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd, en waar gedaagde zich (met bericht) niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 23 augustus 1990 heeft gedaagde de appellant toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) met ingang van 1 oktober 1990 ingetrokken, op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum op minder dan 15% moet worden gesteld. Het hiertegen door appellant ingestelde beroep is door de (voormalige) Raad van Beroep te Amsterdam bij beschikking ex artikel 128 van de Beroepswet op 1 november 1991 ongegrond verklaard. Hiertegen is door appellant verzet ingesteld. Vervolgens is het beroep van appellant bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 1993 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 30 mei 1997 vernietigd en het inleidend beroep ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 april 1999 heeft appellant gedaagde verzocht 1) om terug te komen op het besluit van 23 augustus 1990 en 2) om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 43a WAO wegens een toename van psychische klachten. Ter ondersteuning van deze verzoeken heeft appellant een rapport (en een brief) van psycholoog M.M. Smit van februari 1999 (en april 1999) overgelegd. Genoemde psycholoog heeft appellant op 31 juli 1998 en 9 september 1998 onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat appellant ernstige psychische problemen heeft, welke zijn toe te schrijven aan een depressie en een angststoornis (PTSS), en dat appellant als gevolg hiervan al kort na zijn auto-ongeval in 1987 niet meer in staat is geweest zijn beroepswerkzaamheden te verrichten.



1. Verzoek om terug te komen op (zaak 03/4362)


Dit verzoek is door gedaagde bij besluit van 24 februari 2000 afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 27 juli 2000 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zich hierbij gebaseerd op de adviezen van haar (bezwaar)verzekeringsartsen T. Altena en P.M. Cramer van respectievelijk 17 december 1999 en 28 april 2000. Bezwaarverzekeringsarts Cramer heeft bij zijn herbeoordeling alle beschikbare medische informatie, waaronder de destijds opgemaakte rapporten van psychiater J.K. van der Veer (1990), zenuwarts R.G. van ’t Hof (1991) en neuroloog G.K. van Wijngaarden (1992), in onderling verband bezien en is daarbij, evenals verzekeringsarts Altena, tot de conclusie gekomen dat in het rapport van psycholoog Smit is uitgegaan van dezelfde medische gegevens als in de genoemde rapporten van eerdere datum, maar dat hieraan een andere (diagnostische) interpretatie is gegeven.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat, met name gezien het rapport van psycholoog Smit, wel degelijk sprake is van nieuwe feiten, althans zoveel meer duidelijkheid dan ten tijde van het besluit van 23 augustus 1990 dat gedaagde in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren op dat besluit terug te komen. Verder is door appellant gesteld dat door gedaagde onvoldoende rekening is gehouden met feit dat het hier gaat om een duuraanspraak. Ter zitting is door appellant nog een beroep gedaan op een uitspraak van de Raad, bekend onder LJN-nummer AS 6709, waarin zou zijn geoordeeld dat in geval van een nieuwe diagnose sprake is van een nieuw feit.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat gedaagde de zaak, blijkens voormelde rapporten van de (bezwaar)- verzekeringsartsen Altena en Cramer, in haar geheel opnieuw heeft beoordeeld, maar dat dit niet tot een andere uitkomst heeft geleid.

Naar de Raad voorts reeds meermalen heeft overwogen is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen heeft appellant het rapport van psycholoog Smit overgelegd, waarin bij appellant - retrospectief - een depressie en een angststoornis (PTSS) is gediagnosticeerd. De Raad is met gedaagde van oordeel dat het daarbij - anders dan appellant meent - niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, maar om een andere (diagnostische) interpretatie van reeds bekende feiten en omstandigheden. De Raad merkt hierbij nog op dat de door appellant ter zitting aangehaalde uitspraak van de Raad, bekend onder LJN AS6709, ziet op de situatie dat - anders dan in dit geval - op basis van nadere medische gegevens een nieuwe diagnose is gesteld. Ten aanzien van de grief van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat het in dit geval gaat om een duuraanspraak, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 12 december 2003, gepubliceerd in USZ 2004, 54, waarin is geoordeeld dat de jurisprudentie met betrekking tot duuraanspraken niet onverkort van toepassing is in gevallen waarin in het verleden een eerder toegekende WAO-uitkering is ingetrokken. De Raad ziet geen aanleiding hierover in het onderhavige geval anders te oordelen.

Gezien het vorenstaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak (reg.nr. AWB 02/1192 WAO) voor bevestiging in aanmerking komt.



2. Verzoek om toepassing van artikel 43a WAO (Wet Amber, zaak 03/4363)

Dit verzoek is door gedaagde bij primair besluit van 20 juli 2000 afgewezen op de grond dat er geen reden is aan te nemen dat appellant toegenomen beperkingen heeft gekregen, zodat de Wet Amber niet van toepassing is. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 29 november 2000 gehandhaafd, met dien verstande dat de motivering van het besluit is aangevuld, in die zin dat het niet toekennen respectievelijk het niet heropenen van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt gebaseerd op het ontbreken van wijzigingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, maar op het gegeven dat de wettelijke bepalingen het toekennen respectievelijk het heropenen van het recht op uitkering niet toelaten. Hierbij is onder meer verwezen naar de door het Platform Arbeidsongeschiktheid van het Tica op 14 augustus 1996 geaccordeerde nota inzake de interpretatie van de Wet Amber.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen:

"De CRvB heeft in zijn uitspraak van 5 februari 2002 (USZ 2002, nr. 73) ten aanzien van de inwerktreding van 43a van de WAO met ingang van 29 december 1995 overwogen dat het ontbreken van overgangsrecht medebrengt dat op grond van deze bepaling met ingang van 29 december 1995 recht hebben op heropening van de (ingetrokken) uitkering degenen van wie de uitkering minder dan vijf jaar daarvoor was ingetrokken én die vanwege dezelfde ziekteoorzaak weer uitvallen én die op dat moment de wachttijd van vier weken reeds hadden doorlopen. In de uitspraak van 26 november 2002 (RSV2003, nr. 16) heeft de CRvB ter aanvulling overwogen dat in het geval dat de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in de periode van vijf jaar voor 29 december 1995 en voor die datum ook daadwerkelijk de wachttijd van vier weken is doorlopen, die arbeidsongeschiktheid ook nog dient te bestaan op 29 december 1995 dan wel, indien die arbeidsongeschiktheid na het doorlopen van die wachttijd op enig moment voor 29 december 1995 weer is geëindigd, op 29 december 1995 wederom onafgebroken vier weken moet hebben bestaan.

De aldus aangevulde toetsingscriteria oor de toepassing van artikel 43a van de WAO toepassend op het geval van eiser, overweegt de rechtbank dat de uitkering van eiser bij besluit van 23 augustus 1990 per 1 oktober 1990 is ingetrokken.
Eiser behoort daarmee niet tot degenen van wie uitkering minder dan vijf jaar voor 29 december 1995 was ingetrokken. Met verweerder is de rechtbank derhalve van oordeel dat heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser op grond van artikel 43a van de WAO geen toepassing kan vinden, omdat niet wordt voldaan aan de gestelde eisen."

In hoger beroep is door appellant naar voren gebracht dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is, dat de Wet Amber onmiddellijke werking heeft, zodat deze moet worden toegepast op hetgeen na inwerkingtreding ontstaat en op hetgeen bij de inwerkingtreding bestaat voor de tijdvakken vanaf de inwerkingtreding en dat de wet, gezien de mededeling M95.127 van het Tica en de zaken Amakhlouf (98/4649 en 98/4650 AAWAO), aanvankelijk ook zo is toegepast. In het verlengde hiervan is door appellant tevens een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting is dit beroep nog nader toegelicht en is onder meer aangegeven dat van het door gedaagde in het kader van de Wet Amber gehanteerde beleid (slechts) de mededeling M95.127 op 17 april 1997 in de Staatscourant is gepubliceerd, zodat de inhoud hiervan als het ten tijde van het onderhavige verzoek geldende beleid dient te worden beschouwd.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daarbij merkt de Raad nog op - anders dan appellant - niet in te zien dat de door de rechtbank in haar uitspraak aangehaalde uitspraken van de Raad (gepubliceerd in USZ 2002,73 en RSV 2003,16) voor meerdere (ruimere) uitleg vatbaar zouden zijn. Ook het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De Raad heeft daartoe overwogen dat, nog daargelaten het antwoord op de vraag of en zo ja, welk beleid van gedaagde ten tijde van het onderhavige verzoek was gepubliceerd, de toepassing van het gelijkheidsbeginsel naar het oordeel van de Raad niet zo ver kan strekken dat een in 1999 gedaan verzoek als het onderhavige kan leiden tot een besluit in strijd met het toen reeds geldende (jurisprudentiële) recht.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak (reg.nr. AWB 02/1191 WAO) eveneens voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x