Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5484
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Actualisering voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4045 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. H.N.H. Dresschers, advocaat te Brunssum, op bij beroepschrift met bijlagen aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht onder dagtekening 26 juni 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer AWB 01/1089 WAO.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellante heeft de gronden van het hoger beroep nader uiteengezet bij aanvullend beroepschrift met bijlagen.

Gedaagde heeft daarop gereageerd bij brief van 3 februari 2003 met bijlage, en heeft bij brief van 28 november 2003 met bijlage nadere informatie verstrekt.

Namens appellante zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld, waarop van de zijde van gedaagde commentaar is geleverd bij brief van 9 juni 2004 met bijlage.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 juni 2004, waar appellante in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. I.A.H. Olivers, werkzaam bij het Uwv.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad de orthopedisch chirurg dr. A.D. Verburg als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.
Deze deskundige heeft onder dagtekening 17 december 2004 van dat onderzoek verslag uitgebracht.

De Raad heeft partijen ervan op de hoogte gesteld dat de enkelvoudige kamer de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer.

Namens appellante is bij brief van 21 maart 2005, mede naar aanleiding van het deskundigenrapport, een nadere toelichting gegeven op het standpunt van appellante.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 22 maart 2005. Appellante is daar met voorafgaand bericht niet verschenen, terwijl namens gedaagde is verschenen F.P.L. Smeets, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante is op 20 november 1997 arbeidsongeschikt geworden wegens onder meer knie- en spanningsklachten. Gedaagde heeft haar in verband daarmee met ingang van 19 november 1998 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 16 maart 2001 heeft gedaagde die uitkering met ingang van 8 mei 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij besluit van 18 juli 2001 (hierna: het bestreden besluit).

Evenvermelde herziening van appellantes uitkering berust op een beoordeling volgens welke appellante op de datum in geding als gevolg van de voor haar van toepassing geachte beperkingen niet langer geschikt is voor de eigen maatgevende werkzaamheden, maar nog wel in staat wordt geacht tot het verrichten van andere werkzaamheden, als behorende bij door gedaagdes arbeidsdeskundige bij raadpleging van het Functie Informatie Systeem geselecteerde functies. De aan die functies te ontlenen verdiencapaciteit leidt in vergelijking met het maatgevende inkomen van appellante tot een loonverlies van 19%, overeenkomend met indeling in genoemde klasse 15 tot 25%.

Appellante heeft in het bijzonder grieven ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij stelt zich op het standpunt niet tot enige arbeid in staat te zijn, als gevolg van (pijn)klachten aan haar nek, rug, rechterknie en beide voeten. De rechtbank heeft in de voorhanden medische gegevens voldoende aanknopingspunten aangetroffen voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante op de datum in geding juist zijn vastgesteld. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat appellante terecht in staat is geacht tot het vervullen van de geduide functies, in welk verband de rechtbank heeft overwogen dat door de bezwaarverzekeringsarts van gedaagde voldoende is gemotiveerd waarom die functies, ondanks de overschrijdingen van het belastbaarheidspatroon, passend zijn. De rechtbank, die zich ook overigens met het bestreden besluit kon verenigen, heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat haar belastbaarheid veel te optimistisch is ingeschat en dat zij als gevolg van haar verschillende beperkingen, in het bijzonder haar voet- en rugklachten, op de datum in geding niet in staat is tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

Zoals blijkt uit rubriek I heeft de Raad aanleiding gevonden om appellante te doen onderzoeken door een onafhankelijk deskundige. De orthopedisch chirurg dr. Verburg heeft in zijn rapport van 17 december 2004 omtrent appellante verslag uitgebracht. Blijkens dat rapport heeft de deskundige zich kunnen verenigen met de door gedaagdes verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante. Naar het oordeel van Verburg was appellante op de datum in geding voorts in staat tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, voor zover deze in bezwaar zijn gehandhaafd. Verburg heeft in zijn rapport voorts nog aangegeven dat een nader onderzoek door een neuroloog overwogen kan worden.

In lijn met de in zijn vaste rechtspraak neergelegde hoofdregel met betrekking tot het belang dat in het algemeen dient te worden gehecht aan de bevindingen en conclusies van een door de rechter geraadpleegde onafhankelijke deskundige, ziet de Raad aanleiding ook in het onderhavige geval doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de conclusies van de deskundige Verburg inzake de medische beperkingen en arbeidsmogelijkheden van appellante ten tijde hier van belang. De Raad heeft in aanmerking genomen dat het onderzoek van de deskundige als voldoende zorgvuldig en diepgaand moet worden aangemerkt en dat zijn conclusies aan de hand van relevante medische inzichten op overtuigende wijze zijn onderbouwd. Hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gegeven voor een andersluidend oordeel.
De Raad merkt in dit verband nog op dat hij zich met alle omtrent appellante beschikbare medische gegevens en rapporten, waaronder het rapport van de deskundige Verburg, genoegzaam voorgelicht acht omtrent de gezondheidssituatie, beperkingen en resterende mogelijkheden van appellante, en dat derhalve geen aanleiding wordt gezien voor een nader onderzoek door een neuroloog zoals door Verburg - op overigens voorzichtig geformuleerde wijze - in overweging is gegeven.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van de schatting is van de zijde van gedaagde ter zitting van de Raad op 15 juni 2004 aangegeven dat ten aanzien van een van de bij de schatting in aanmerking genomen functies, te weten die van inpakker koekjes, functiebestandscode 9717, sprake is van een onvolkomenheid, nu op de arbeidsmogelijkhedenlijst als actualiseringsdatum van die functie is vermeld 21 juni 1999, welke datum, gegeven de in geding zijnde datum 8 mei 2001, is gelegen buiten de in de rechtspraak van de Raad als aanvaardbaar aangehouden termijn van anderhalf jaar. Tevens is daarbij aangegeven dat genoemde functie opnieuw is geactualiseerd op 17 augustus 2001. De gemachtigde van gedaagde heeft daaraan, onder verwijzing naar een niet gepubliceerde uitspraak van de Raad van 13 april 2004, 02/964 WAO, het verzoek verbonden die functie toch als schattingsgrondslag te aanvaarden.
De loonwaarde van de opnieuw geactualiseerde functie inpakker koekjes is evenwel lager dan die van de oorspronkelijk gebruikte functie, hetgeen zou inhouden dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante een klasse hoger zou uitkomen. Gedaagde stelt zich evenwel op het standpunt dat de loonwaarde kan worden aangehouden van de oorspronkelijk geselecteerde functie van inpakker koekjes, zodat de gesignaleerde onvolkomenheid uiteindelijk geen gevolgen zou behoeven te hebben voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante zoals vervat in het bestreden besluit.

De Raad overweegt dienaangaande dat de overschrijding van de door gedaagdes gemachtigde bedoelde termijn van anderhalf jaar in het onderhavige geval niet zeer aanzienlijk is, althans niet in een mate dat die overschrijding, in het licht van de uitspraak van de Raad, gepubliceerd in USZ 2004,105, zou dienen te leiden tot het oordeel dat de op zichzelf zeer gangbare functie van inpakker koekjes zoals deze oorspronkelijk is geselecteerd een voldoende realiteitswaarde ontbeert en om die reden niet langer in aanmerking zou kunnen worden genomen als onderdeel van de schattingsgrondslag.

Nu aldus de oorspronkelijke functie van inpakker koekjes geacht moet worden nog steeds een voldoende realiteitswaarde te hebben, ziet de Raad - met gedaagde - geen aanleiding om niet ook wat betreft de loonwaarde van die functie uit te blijven gaan van de oorspronkelijke loongegevens zoals vermeld op de arbeidsmogelijkhedenlijst van 7 februari 2001.

Gelet op het vorenoverwogene, en gegeven het feit dat de Raad, in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ook overigens geen aanknopingspunten heeft om het bestreden besluit niet voor juist te houden, dient de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard, te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x