Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5597
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift. De dag van het uitspreken van de beslissing van de rechtbank in het openbaar. Procesbelang. Besluit gericht op rechtsgevolg.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4917 WAO en 04/5591 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Gedaagde heeft bij besluit van 14 april 2003 (hierna: besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard de door hem als bezwaar tegen zijn besluit van 4 maart 2002 aangemerkte brieven van appellant onderscheidenlijk zijn echtgenote van 16 respectievelijk 24 maart 2002.

Gedaagde heeft bij besluit van 18 maart 2003 (hierna: besluit 2) niet-ontvankelijk verklaard de door hem als bezwaar tegen zijn beslissing van 21 juni 2002 aangemerkte en vervolgens als zodanig tegen zijn besluit van 4 maart 2002 gericht geachte brief van appellant van 31 juli 2002.

De rechtbank Amsterdam heeft de door mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, namens appellant afzonderlijk ingestelde beroepen tegen de besluiten 1 en 2 bij uitspraak van 26 juli 2004 onderscheidenlijk 17 augustus 2004 (hierna: uitspraak 1 respectievelijk uitspraak 2) ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft tegen de uitspraken 1 en 2 op bij afzonderlijke beroepschriften aangegeven gronden en wat betreft uitspraak 2 onder overlegging van bijlagen hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft in beide gedingen van verweer gediend.
De gemachtigde van appellant heeft op 23 februari 2005 in beide gedingen nog een stuk ingediend.

De gedingen zijn - gevoegd - behandeld ter zitting van de Raad van 8 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Inzake besluit 1 overweegt de Raad als volgt.

Aan besluit 1 ligt ten grondslag de overweging dat de bezwaarschriften van 16 en 24 maart 2002 eerst op 11 maart 2003 door gedaagde zijn ontvangen en wel als bijlagen bij de brief van de gemachtigde van appellant van 7 maart 2003. Volgens gedaagde is derhalve met overschrijding van de daarvoor in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getroffen regeling bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 maart 2002 en maken de desgevraagd namens appellant aangevoerde redenen de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Om deze reden heeft gedaagde bij besluit 1 appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

De rechtbank heeft in uitspraak 1 besluit 1 en de overwegingen waarop besluit 1 berust, onderschreven en het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

De gemachtigde van appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de bezwaarschriften van 16 en 24 maart 2002 door appellant per fax zijn toegezonden aan de arbeidsdeskundige van gedaagde J. van den Akker. Onder verwijzing naar een brief van Van den Akker van 11 juni 2002 aan appellant, waarin melding wordt gemaakt van de ontvangst van afschriften van faxen, stelt de gemachtigde dat gedaagde onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de datum van ontvangst van beide bezwaarschriften.

De Raad overweegt dat de in uitspraak 1 vermelde datum van openbaarmaking, te weten 26 juli 2004, gelet op de in het dossier aanwezige uitnodiging aan partijen voor de openbare terechtzitting op 12 augustus 2004 en de vermelding van laatstgenoemde datum in uitspraak 1 als sluitingsdatum van het onderzoek ter zitting, niet kan worden geacht de in artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 8:78 van de Awb bedoelde dag van het uitspreken van de beslissing van de rechtbank in het openbaar te zijn. Uitspraak 1 dient reeds om deze reden te worden vernietigd.

De Raad acht voorts terugwijzing van de zaak naar de rechtbank niet noodzakelijk. De Raad zal de zaak zelf afdoen en overweegt daartoe als volgt.

Ook indien in het midden wordt gelaten wanneer de door gedaagde als bezwaarschrift behandelde brieven van 16 en 24 maart 2002 door gedaagde dan wel Van den Akker zijn ontvangen, kan besluit 1 in rechte stand houden. De brieven, waarin geen melding wordt gemaakt van het besluit van 4 maart 2002, bevatten namelijk in feite uitsluitend een beschrijving van het verloop in het jaar 2000 van het arbeidsconflict tussen appellant en zijn werkgever onderscheidenlijk van de gebeurtenissen kort voor het schrijven van de brief van 24 maart 2002. Uit deze brieven valt derhalve niet op te maken wat voor appellant terzake van het besluit van 4 maart 2002 het punt van geschil is. Ook ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd niet kunnen aangeven welk procesbelang appellant heeft met een bezwaarprocedure tegen dit besluit. Dit belang kan naar het oordeel van de Raad in elk geval niet worden ontleend aan de positie van appellant in het in de evenvermelde brieven beschreven arbeidsconflict, nu het besluit van 4 maart 2002 daar geen betrekking op heeft. In elk geval om deze reden is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2002 derhalve niet-ontvankelijk.

Inzake besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

In besluit 2 is overwogen dat de beslissing van 21 juni 2002 niet een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb omdat de inhoud hetzelfde is als het besluit van 4 maart 2002. Om die reden heeft gedaagde de brief van appellant van 31 juli 2002 aangemerkt als een - te laat - ingediend bezwaarschrift tegen het besluit van 4 maart 2002 en heeft hij dit bezwaar vervolgens niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft in uitspraak 2 besluit 2 en de overwegingen waarop besluit 2 berust onderschreven.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant zijn in eerste aanleg verwoorde standpunt herhaald. Dit standpunt hield in dat de beslissing van 21 juni 2002 wel degelijk op rechtsgevolg was gericht omdat deze beslissing naar zijn mening een heroverweging inhield van het besluit van 4 maart 2002 op basis van de door appellant aan gedaagde op 24 maart 2002 toegezonden gegevens.

De Raad onderschrijft de visie van de gemachtigde van appellant dat de beslissing van 21 juni 2002 op rechtsgevolg is gericht en derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Dit besluit is, gelet op onder andere de hiervoor genoemde brief van Van den Akker van 11 juni 2002 en zijn rapport van dezelfde datum, onmiskenbaar genomen op basis van de door appellant na het nemen van het besluit van 4 maart 2002 aan hem toegezonden gegevens en dient naar het oordeel van de Raad te worden beschouwd als een weigering om terug te komen van het besluit van 4 maart 2002. Gelet op het vorenstaande dienen besluit 2 en uitspraak 2 te worden vernietigd. De Raad is tevens van oordeel dat de rechtsgevolgen van besluit 2 geheel in stand kunnen blijven. In verband met een en ander overweegt de Raad als volgt.
Evenals hiervoor is overwogen ten aanzien van het besluit van 4 maart 2002 is de Raad van een procesbelang van appellant bij een bezwaarprocedure tegen het besluit van 21 juni 2002 niet gebleken. De brief van 31 juli 2002 heeft namelijk in het geheel geen betrekking op hetgeen bij dit besluit is overwogen, te weten het door gedaagde laten vervallen vanaf 17 augustus 2000 van de korting op de WAO-uitkering van appellant wegens inkomsten uit arbeid, maar ziet uitsluitend op volgens appellant van belang zijnde perioden van wijziging van omstandigheden in zijn arbeidsrelatie met zijn werkgever in 2002 en met name op de betaling van ziekengeld door gedaagde vanaf 1 maart 2002.

Uit deze brief valt derhalve niet op te maken wat voor appellant ter zake van het besluit van 21 juni 2002 het punt van geschil is. Ook ter zitting heeft de gemachtigde van appellant desgevraagd niet kunnen aangeven welk procesbelang appellant heeft bij een bezwaarprocedure tegen dit besluit. Dit belang kan naar het oordeel van de Raad in elk geval niet worden ontleend aan de hiervoor genoemde, in deze brief beschreven omstandigheden, nu het besluit van 21 juni 2002 daarop geen betrekking heeft. Ook het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2002 is derhalve niet-ontvankelijk.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tegen besluit 2 en in beide hoger beroepen. Deze kosten worden begroot op 3 x 322,= voor onderscheidenlijk verleende rechtsbijstand in beroep tegen besluit 2, het instellen van hoger beroep tegen uitspraak 1 en het instellen van hoger beroep tegen uitspraak 2, alsmede op 322,= voor het verschijnen ter zitting in hoger beroep in beide - gevoegd behandelde - gedingen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de uitspraken 1 en 2;
Verklaart het beroep tegen besluit 1 ongegrond;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tegen besluit 1 en in hoger beroep tegen de uitspraken 1 en 2 tot een bedrag groot 1.288,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 133,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x