Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5740
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Premiedifferentiatie. Oorzaak arbeidsongeschiktheid niet van belang. Medische stukken niet ter kennisname aan werkgever. Bescherming persoonlijke levenssfeer. Leidt premiedifferentiatie tot een drempel voor vrouwen op de arbeidsmarkt?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1914 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 24 maart 2003 onder kenmerk 01/1075 tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 april 2005, waar appellante niet is verschenen, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. P.M. Klootwijk, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 17 mei 2001 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van
28 november 2000 tot vaststelling van de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 2001 op de voor kleine werkgevers geldende maximumpremie. Aan de vaststelling van die premie ligt mede ten grondslag de door gedaagde in 1999 aan een ex-werkneemster (hierna: betrokkene) van appellante betaalde, bij besluit van 25 september 1997 ingaande 12 september 1997 toegekende, WAO-uitkering.

Het hoger beroep van appellante is beperkt tot dat deel van de uitspraak waarbij haar beroep ongegrond is verklaard.

In de loop van het geding in eerste aanleg heeft gedaagde (ook) de medische stukken aan de rechtbank toegezonden, die betrekking hebben op de toekenning en continuering van de WAO-uitkering aan betrokkene. De rechtbank heeft ten aanzien van de medische stukken bepaald dat de kennisneming van die stukken is voorbehouden aan een - buiten het verband van appellante werkzame - gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. Zodanige gemachtigde is door appellante niet aangewezen.

De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat de medische beoordeling door gedaagde, die heeft geleid tot de toekenning van de WAO-uitkering aan betrokkene, op zorgvuldige wijze heeft plaats gevonden. Voorts heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de beoordeling geen rol speelt, ook niet als, zoals appellante stelt, de toekenning van WAO-uitkering samenhangt met (complicaties bij) zwangerschap of bevalling.

De Raad kan appellante niet volgen in haar betoog dat de rechtbank ten onrechte artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft toegepast ten aanzien van de medische stukken van betrokkene. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval het belang van betrokkene bij bescherming van haar persoonlijke levenssfeer zwaarder dient te wegen dan het belang van appellante dat geen inbreuk wordt gemaakt op haar recht op toegang tot de rechter en op een eerlijk proces. In zijn uitspraak van 20 juli 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/199 en RSV 2001/205, heeft de Raad als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat in een procedure in beroep als deze sprake is van een schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154, hierna: EVRM) indien onverkort toepassing zou worden gegeven aan de zogenaamde medische besluitenregeling, maar dat wel aan de eisen van artikel 6 van het EVRM wordt voldaan als - de artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend - door de administratieve rechter, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, wordt bepaald dat inzage in dan wel kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft verkregen en dat deze gemachtigde(n) voor zover het de medische aspecten betreft in de plaats van de werkgever treedt (treden). In deze uitspraak heeft de Raad uitdrukkelijk onderkend dat de werkgever ook met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb nog niet geheel op gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar tevens blijk gegeven van het oordeel dat de gemachtigde van de werkgever in staat moet worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van de werkgever in voldoende mate te behartigen, zodat er geen sprake is van een onevenredig nadelige positie van de werkgever. Met verwijzing naar zijn uitspraken van 7 januari 2003, USZ 2003/139, en 26 september 2000, AB 2000, 484, vindt de Raad ook in dit geding geen aanknopingspunten om tot een andersluidend oordeel te komen.

Anders dan appellante veronderstelt, staat de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb geenszins eraan in de weg dat een door haar aangewezen gemachtigde zich bij het voeren van of ter onderbouwing van het beroep bedient van “hulppersonen”, waaronder een arbeidsdeskundige. De uit artikel 8:32, tweede lid, van de Awb voortvloeiende geheimhoudingsverplichting “straalt” naar het oordeel van de Raad, zo goed als een eventueel beroepsgeheim en het daarmee samenhangende verschoningsrecht, onder omstandigheden uit naar de door de gemachtigde ingeschakelde hulppersonen. Om iedere twijfel in dat verband weg te nemen, kan zonodig uitdrukkelijk om bijzondere toestemming als bedoeld in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb worden gevraagd.

In dit geding wordt appellante vertegenwoordigd door één van haar vennoten. Deze vennoot treedt daarbij op als werkgever (en niet als advocaat). Ook de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb heeft zodoende er niet toe geleid dat appellante van het medisch dossier heeft kunnen kennis nemen. Dat is evenwel het gevolg van de eigen keuze van appellante om geen gemachtigde aan te stellen, welk gevolg voor haar rekening moeten blijven.

De Raad gaat er vanuit dat de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan aan betrokkene WAO-uitkering is toegekend rechtstreeks samenhangt met (complicaties van haar) zwangerschap en/of bevalling. Echter, naar het oordeel van de Raad slaagt het betoog van gedaagde, ertoe strekkende dat artikel 4, vijfde lid van het Besluit premiedifferentiatie WAO buiten toepassing dient te blijven, niet. Daartoe overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 september 2004 (LJN AR2250, USZ 2004, 333) als volgt.

Artikel 3 van Verdrag 103 betreffende de bescherming van het moederschap van 28 juni 1952, Trb 1953, 129 (hierna: IAO-verdrag 103) waarborgt een recht op zwangerschaps-/bevallingsverlof, alsmede een aanvullend verlof ingeval van ziekte die blijkens een medisch attest een gevolg is van zwangerschap. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van IAO-verdrag 103 heeft de vrouw die uit hoofde van het in artikel 3 bepaalde haar arbeid heeft verzuimd onder andere recht op een geldelijke uitkering. De Raad is van oordeel dat de uitkering krachtens de WAO niet als specifieke uitkering ter bescherming van zwangerschap en moederschap kan worden aangemerkt. Recht op een uitkering krachtens de WAO bestaat immers ook indien de arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de Nederlandse wetgever middels artikel 29a van de Ziektewet invulling heeft gegeven aan de uit artikel 3 van IAO-verdrag 103 voortvloeiende rechten.
Overigens merkt de Raad nog op dat de in artikel 4, achtste lid, van IAO-verdrag 103 opgenomen waarborg ziet op de persoonlijke aansprakelijkstelling van de werkgever voor de betaling van de onderhavige (gedifferentieerde) premie.
Artikel 4, achtste lid, van IAO-verdrag 103 waarborgt dat de werkgever niet persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de in artikel 3 bedoelde uitkeringen en verstrekkingen. De voorwaarden voor de premieheffing ter dekking van kosten verbonden aan deze uitkeringen en verstrekkingen zijn opgenomen in artikel 4, zevende lid, van IAO-verdrag 103, dat - voorzover hier van belang - bepaalt dat iedere premie, verschuldigd onder een stelsel van verplichte sociale verzekering ter voorziening in uitkeringen en verstrekkingen ter zake van moederschap, die geheven wordt teneinde te voorzien in deze uitkeringen en verstrekkingen, wordt betaald naar het totale aantal mannen en vrouwen in dienst bij de betrokken ondernemingen, zonder onderscheid naar geslacht, onverschillig of de betaling geschiedt door de werkgever, dan wel door de werkgever en de werknemer gezamenlijk. Derhalve levert het in de berekening van de gedifferentieerde premie meenemen van de uitkering krachtens de WAO van betrokkene die rechtstreeks samenhangt met (complicaties van haar) zwangerschap en/of bevalling naar het oordeel van de Raad geen strijd met artikel 4 van IAO-verdrag 103 op.

Appellante heeft betoogd dat het toekennen van een WAO-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van (complicaties bij) zwangerschap of bevalling nadelig is voor vrouwen. Omdat dergelijke WAO-uitkeringen gevolgen zullen hebben voor de door werkgevers verschuldigde gedifferentieerde WAO-premies zou het uiteindelijke resultaat zijn dat werkgevers sneller geneigd zullen zijn mannen in dienst te nemen dan vrouwen. Ook in dit betoog volgt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 februari 2005, LJN AT3056, appellante niet. De hier van belang zijnde wettelijke bepalingen maken geen onderscheid naar geslacht. De nationale wetgeving verbiedt werkgevers tijdens sollicitaties en het aangaan of beëindigen van een arbeidsverhouding onderscheid te maken naar geslacht. De oorzaak van de arbeidsongeschiktheid is noch bij de toekenning van de WAO-uitkering, noch bij de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie van belang. De Raad moet constateren dat appellante haar stellingen inzake de voor vrouwen nadelige gevolgen van de hier aan de orde zijnde premiedifferentiatieregeling op geen enkele wijze heeft onderbouwd met gegevens van statistische aard. De enkele omstandigheid dat (complicaties tijdens) zwangerschap of bevalling onder omstandigheden tot arbeidsongeschiktheid en in verband daarmee uiteindelijk ook tot toekenning van een WAO-uitkering kunnen leiden, rechtvaardigt nog niet de daaraan door appellante verbonden veronderstelling dat daardoor sprake is van een in verband met de toepassing van de WAO naar geslacht afwijkend risicoprofiel dat invloed zou (kunnen) hebben op het door de werkgevers gevoerde personeelsbeleid met als (feitelijk) gevolg een drempel bij de toegang tot de arbeidsmarkt voor vrouwen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de toekenning van de WAO-uitkering aan betrokkene voor onrechtmatig te houden. Met de door haar in hoger beroep in dit verband aangevoerde gronden miskent appellante dat aan de toekenning van die uitkering geen arbeidskundig onderzoek ten grondslag heeft gelegen; betrokkene is op strikt medische gronden als volledig arbeidsongeschikt aangemerkt.

Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt de Raad dat gedaagde bij de uitvoering van de hier van belang zijnde wettelijke bepalingen geen enkele beleidsvrijheid toekomt, zodat een beroep op het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet kan slagen.

Desondanks volgt uit vaste jurisprudentie van de Raad dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat op deze grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De Raad is niet gebleken dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. De situatie waarin appellante verkeert is niet zo uitzonderlijk dat die in het geheel niet zou stroken met de uitvoering van de premiedifferentiatieregeling zoals de wetgever die voor ogen heeft gehad.

De aangevallen uitspraak dient - voorzover aangevochten - te worden bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) J.P. Mulder.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x