Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5845
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schatting WAO. Vastgestelde beperkingen. Geschiktheid van de voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1378 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. P.F. Adolf, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening
11 februari 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. WAO 01/1728), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 17 juni 2003 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2005, waar appellant met schriftelijke kennisgeving, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant, voorheen werkzaam geweest als politieambtenaar, regio Amsterdam/Amstelland, ontvangt in verband met rechterpolsklachten sedert 15 mei 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij het thans bestreden besluit van 15 augustus 2001 heeft gedaagde de herziening van deze uitkering per 13 maart 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% gehandhaafd.

In beroep heeft appellant gesteld dat zijn medische beperkingen in ernst meer waren toegenomen dan bij het bestreden besluit is aanvaard. De rechtbank heeft zich omtrent die beperkingen en de mogelijkheden van appellant om met inachtneming daarvan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen zich van verslag en advies laten dienen door de revalidatiearts W.C.G. Blanken. Deze deskundige is bij rapport van 6 juni 2002 tot de conclusie gekomen dat appellant meer beperkt is in (het gebruik van) zijn rechterpols dan door de verzekeringsarts was aangegeven, maar dat appellant desalniettemin in staat moest worden geacht alle functies te vervullen, inclusief de functie van bewaarder/beveiligingsbeambte, waarin incidenteel 10 kg moet worden getild.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak doorslaggevende betekenis toegekend aan voormelde conclusie van de deskundige Blanken en ook geen aanleiding gezien de arbeidskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting voor onjuist te houden.

In hoger beroep heeft appellant, onder herhaling van hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, het oordeel van de rechtbank bestreden. Voorts heeft appellant in het bijzonder aangevoerd dat hij ongeschikt is voor de functie van bewaarder/beveiligingsbeambte.

Gedaagde heeft ter zitting er nog op gewezen dat sprake is van een tweetal functies bewaarder/beveilingsbeambte in de functiebestandscode 5899 met ieder meer dan 7 arbeidsplaatsen en dat slechts in een van de twee functies een overschrijding ten aanzien van tillen plaatsvindt.

De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, niet ondersteund tot nieuwe gegevens van medische aard, geen aanknopingspunten het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. Naast hetgeen van de zijde van gedaagde is aangevoerd met betrekking tot de geschiktheid van de functie bewaarder/beveiligingsbeambte wijst de Raad erop dat als deze functie zou vervallen, nog voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen resteren die de schatting kunnen dragen.

Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x