Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT5942
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Er zijn geen redenen om de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/3214 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens gedaagde heeft mr. G.A.M. van Dijk, advocaat te Alkmaar, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 6 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 02-316 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 8 augustus 2003 van verweer gediend.

Bij brief van 19 augustus 2003 heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2005, waar partijen, met schriftelijke kennisgeving, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent, gelet op de gedingstukken met juistheid, heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met de vermelding dat gedaagde bij het bestreden besluit van 4 februari 2002 het ten aanzien van appellant genomen besluit van 7 juni 2001 heeft gehandhaafd. Daarbij is appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 13 november 2000 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% herzien. Appellant heeft in beroep bij de rechtbank grieven van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien het bestreden besluit voor onjuist te houden.

In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar de in eerste aanleg ingezonden gegevens afkomstig van de behandelende artsen, in het bijzonder die van de orthopedisch chirurg De Bruin, aangevoerd dat zijn medische beperkingen ten tijde hier in geding zijn bij het bestreden besluit zijn onderschat. Appellant heeft zich gekeerd tegen de overweging van de rechtbank dat de gegevens van orthopedisch chirurg De Bruin geen betekenis hebben voor de medische situatie van appellant op 13 november 2000. Appellant had zich immers in 2000 al gemeld met toegenomen klachten.

De Raad overweegt als volgt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot dit punt, waarbij appellant als eiser is aangeduid, als volgt overwogen:
“Blijkens de brief van de orthopedisch chirurg De Bruin, voornoemd, van 28 november 2002 heeft deze eiser op 20 november 2002 gezien met rugklachten die toen al ruim een jaar bestonden, derhalve omstreeks november - december 2001. Deze datum ligt naar het oordeel van de rechtbank te ver verwijderd van de datum in geding om hier doorslaggevend belang aan te hechten.”

De Raad onderschrijft deze overweging van de rechtbank. Deze is ook in overeenstemming met de zich onder de gedingstukken bevindende verklaring van 16 juli 2001 van de oefentherapeut M. van de Reep, waarin melding wordt gemaakt van rugklachten de afgelopen drie maanden, terwijl appellant sedert 6 december 2000 bij deze therapeut al bekend is. De Raad moet daaruit afleiden dat de bij appellant bestaande rugklachten zich eerst hebben ontwikkeld in het tweede kwartaal van 2001, derhalve na de datum in geding. De vraag of het voor appellant geldende belastbaarheidspatroon al in voldoende mate aan die rugklachten tegemoet komt, zoals de bezwaarverzekeringsarts heeft gesteld, behoeft derhalve niet beantwoord te worden.

Ook overigens heeft de Raad geen redenen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x