Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT6411
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Hebben de geduide functies voldoende realiteitswaarde?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3515 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. J.C. van Houtrijve, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Haarlem, op in het beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem op 24 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr. Awb 02-1302 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief (met bijlagen) van 20 december 2004 nadere stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 april 2005, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde H. van Emden, werkzaam bij het Consultatiebureau ‘C.S.J.’ voor sociaal-juridische hulpverlening te Purmerend, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerkster voor 40 uur per week, ontving sinds oktober 1984 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling is appellante onderzocht door verzekeringsarts F.J. Foppen, die op basis van zijn onderzoek in zijn rapport van 26 juni 2000 concludeerde dat appellante, conform de score in het Formulier Functie Informatie Systeem VA/AD (FIS-formulier) van die datum, inmiddels weer voor halve dagen belastbaar was. Uitgaande van deze belastbaarheid is door arbeidsdeskundige J. de Jong vervolgens een vijftal functies geselecteerd, te weten de functies van monteur koffiezetters (fb-code 8539), inpakker koffiezetters (fb-code 9718), kartonnagebewerker (fb-code 9102), productiemedewerker kunststof (fb-code 9019) en huishoudelijke hulp (fb-code 5425), en is het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 60%. In overeenstemming hiermee is de uitkering van appellante ingevolge de WAO bij besluit van 10 oktober 2000 met ingang van 1 november 2000 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. In het kader van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar zijn door bezwaarverzekeringsarts J.A. Bos-Zijlstra naar aanleiding van de uitslag van een op haar verzoek ingesteld onderzoek door adviesbureau Kemperman verdergaande psychische beperkingen aangenomen ten aanzien van de aspecten conflict hanteren en verantwoordelijkheid, afbreukrisico. Het bezwaar is nadien bij besluit van 10 september 2001 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 3 juli 2002 gegrond verklaard. Hierbij is geoordeeld dat de medische beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld, maar dat het besluit op een ontoereikende arbeidskundige grondslag berust. Daartoe is overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom een bepaalde overschrijding van de belastbaarheid in de functies van monteur koffiezetters en inpakker koffiezetters toelaatbaar zou zijn. Appellante noch gedaagde heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van deze uitspraak is het bestreden besluit van 27 augustus 2002 genomen. Daarbij zijn, wat betreft de arbeidskundige kant, blijkens het rapport van bezwaararbeidsdeskundige H. Janssen van 22 augustus 2002, de functies van monteur koffiezetters en inpakker koffiezetters vervallen, zodat drie functies resteerden die tezamen 29 arbeidsplaatsen vertegenwoordigden. Vervolgens is door genoemde bezwaararbeidsdeskundige binnen de fb-code 5425 (huishoudelijke hulp) één functie bijgeduid. Aangezien dit bijduiden, na toepassing van de desbetreffende reductiefactor niet leidde tot een wijziging in de arbeidsongeschiktheidsklasse, is het besluit van 10 oktober 2000 bij het bestreden besluit gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is door appellante naar voren gebracht dat de binnen de fb-code 5425 geduide functies van huishoudelijke hulp onvoldoende realiteitswaarde hebben. Hierbij is aangegeven dat er binnen deze fb-code maar één functie voor 20 uur per week is geduid en dat de overige functies binnen deze fb-code een veel kleiner aantal uren per week omvatten. Ter zitting zijn namens appellante nog bezwaren van medische aard naar voren gebracht. Gedaagde heeft ter zitting desgevraagd de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de genoemde functies nader toegelicht.

De Raad overweegt als volgt.

Vooropgesteld zij dat het hier gaat om een besluit ter uitvoering van een uitspraak van de rechtbank van 3 juli 2002, welke uitspraak in rechte is komen vast te staan. Gezien de overwegingen van de rechtbank, alsmede de zijdens gedaagde ter zitting gegeven toelichting, moet er naar het oordeel van de Raad van uit worden gegaan dat de medische kant van de schatting in het kader van de onderhavige procedure niet meer aan de orde kan zijn.

De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat om aan de fb-code 5425 (huishoudelijke hulp) onvoldoende realiteitswaarde toe te kennen. Daartoe overweegt de Raad als volgt.

Uit het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 augustus 2002 blijkt dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellante in dit geval is berekend overeenkomstig stap 3 van het beleid als vermeld in de bijlage van het Besluit uurloonschatting 1999 (Stcrt 1999, 40, hierna: het BUS). Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 1 november 2000 blijkt verder dat in de fb-code 5425 functies voorkomen van respectievelijk 14, 10, 13, 16, 17 en 20 uur per week met respectievelijk 3, 1, 1, 1, 1 en 1 arbeidsplaatsen. De Raad ziet onder deze omstandigheden, ook gezien de door hem inmiddels ontwikkelde jurisprudentie met betrekking tot stap 3 van het BUS waaruit volgt dat in het stelsel van uurloonvergelijking door de toepassing van het systeem van de reductiefactor in beginsel voldoende recht wordt gedaan aan het realiteitsgehalte van een overeenkomstig die stap van het BUS totstandgekomen schatting (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 5 november 2002, gepubliceerd in USZ 2003/2), geen aanleiding om aan de functies in genoemde fb-code onvoldoende realiteitswaarde toe te kennen. De Raad merkt daarbij nog op dat het enkele feit dat de voor de schatting gebruikte functies alle in omvang een veel kleiner aantal uren per week omvatten en deze functies derhalve alle in meerdere of mindere mate beneden de zogeheten bandbreedte blijven, voor het aannemen van onvoldoende realiteitswaarde in elk geval geen aanknopingspunt biedt.
De Raad is overigens van oordeel dat de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de genoemde functies door gedaagde ter zitting toereikend zijn toegelicht.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x