Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO / WAZ
x
LJN:
x
AT6455
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Medewerker boomkwekerij, tevens werkzaam als zelfstandige, uitgevallen met heupklachten. WAO- en WAZ-schatting. Overgangsrecht AAW/WAZ. Zijn de arbeidsmogelijkheden overschat?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1313 WAO, 03/1314 WAO, 03/1315 WAO, 03/1317 WAO en 03/1319 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 januari 2003, nummer 02/553 t/m 02/557 WAZWAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Ook van de zijde van appellant zijn nadere stukken ingezonden, waarop door gedaagde een reactie is gegeven.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 5 april 2005, waar partijen, zoals tevoren was bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant wordt aangeduid als eiser en gedaagde als verweerder, de volgende feiten en omstandigheden:

"Eiser is voor 24 uren per week werkzaam geweest als medewerker bij een boomkwekerij (loondienst) en daarnaast heeft hij voor 25 uren per week als zelfstandige gewerkt. Als gevolg van een ongeval is eiser op 3 maart 1997 in verband met heupklachten uitgevallen voor deze werkzaamheden. Verweerder heeft aan eiser een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 2 maart 1998, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Verweerder heeft geweigerd eiser per einde wachttijd een AAW-uitkering toe te kennen. Met ingang van 2 maart 1998 heeft eiser zijn werk in loondienst hervat voor 6 uren per dag (18 uren per week).

Op 26 mei 1999 is eiser opnieuw uitgevallen in verband met een operatie. Bij besluit van 15 juni 2000 heeft verweerder aan eiser om die reden met ingang van eerstgenoemde datum zowel een WAO- als een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% (primair besluit I).

Eiser heeft zijn werkzaamheden in loondienst volledig hervat per 2 augustus 1999. Vervolgens is hij op 23 november 1999 uitgevallen voor 50%. Bij besluit van 16 juni 2000 heeft verweerder besloten eisers WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid vanaf 23 november 1999 uit te keren als ware eiser ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% (primair besluit II). De inhoud van verweerders besluit van 17 juni 2000 (primair besluit III) is identiek aan die van primair besluit II.

Eiser heeft zijn werkzaamheden uiteindelijk geheel gestaakt met ingang van 11 januari 2000. Bij besluit van 18 juni 2000 is de korting op de WAO-uitkering daarom met ingang van eerstgenoemde datum vervallen (primair besluit IV).

Verweerder heeft eiser met ingang van 1 juli 2000 voor wat betreft de WAO ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Eisers WAZ-uitkering is met ingang van die datum berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% (primair besluit V).

De bezwaren van eiser tegen deze primaire besluiten zijn door verweerder bij de bestreden besluiten gedeeltelijk gegrond en deels ongegrond verklaard.

Bij het bestreden besluit I zijn eisers bezwaren tegen primair besluit I ongegrond verklaard, met dien verstande dat het overgangsrecht van de WAZ niet langer van toepassing wordt geacht. Als gevolg daarvan heeft eiser een nieuwe berekeningsmethode in het kader van de samenloop van de WAO- en WAZ-uitkering gehanteerd. De grondslag voor de WAZ is daarbij op nihil gesteld en de WAZ-uitkering van eiser komt dientengevolge niet tot uitbetaling. Om eiser niet in een nadeligere positie te brengen, heeft verweerder aan de nieuwe berekening per 23 juni 1999 (over de periode vanaf die datum tot 2 augustus 1999) geen financiŽle consequenties verbonden.

Bij het bestreden besluit II zijn eisers bezwaren tegen primair besluit II gegrond verklaard, in die zin dat eisers WAO-uitkering in verband met inkomsten uit arbeid met ingang van 2 augustus 1999 uitbetaald had moeten worden als ware eiser voor 25% tot 35% arbeidsongeschikt. Eisers grondslag voor de WAZ is vastgesteld op nihil ten gevolge waarvan de WAZ-uitkering niet tot uitbetaling kan komen. Om eiser niet in een nadeligere positie te brengen, heeft verweerder aan de nieuwe berekening per 2 augustus 1999 (over de periode vanaf die datum tot 23 november 1999) geen financiŽle consequenties verbonden.

Eisers bezwaren tegen primair besluit III zijn ongegrond verklaard bij het bestreden besluit III. Daarbij is het overgangsrecht niet (langer) van toepassing geacht en heeft verweerder dientengevolge een nieuwe berekeningsmethode gehanteerd in het kader van de samenloop van de WAO- en WAZ-uitkering. Om eiser niet in een nadeligere positie te brengen, heeft verweerder aan de nieuwe berekening per 2 augustus 1999 (over de periode vanaf die datum tot 23 november 1999) geen financiŽle consequenties verbonden.

In het bestreden besluit IV heeft verweerder eisers bezwaren tegen primair besluit IV ongegrond verklaard, wederom met dien verstande dat het overgangsrecht niet langer van toepassing wordt geacht en dientengevolge de samenloopregels van de WAZ moeten worden toegepast. De WAZ-uitkering is als gevolg daarvan niet tot uitbetaling gekomen. Om eiser niet in een nadeliger positie te brengen, heeft verweerder aan de nieuwe berekening per 11 januari 2000 (over de periode vanaf die datum tot 16 mei 2002) geen financiŽle consequenties verbonden.

Ten slotte heeft verweerder eisers bezwaren tegen primair besluit V bij het bestreden besluit V gegrond verklaard, in die zin dat eisers WAZ-uitkering met ingang van 16 mei 2002 niet meer tot uitbetaling komt in verband met gewijzigde samenloopregels en het niet langer toepasselijk zijn van het overgangsrecht."

In hoger beroep zijn de volgende grieven aangevoerd:
- Appellant is van mening dat gedaagde er in de bestreden besluiten ten onrechte van uit is gegaan dat de bepalingen van de WAZ van toepassing zijn. Volgens appellant vloeit uit het overgangsrecht inzake de AAW/WAZ voort dat de bepalingen van de AAW van toepassing zijn gebleven, welke voor hem gunstiger zijn dan de bepalingen ingevolge de WAZ.
- Volgens appellant heeft gedaagde zijn arbeidsmogelijkheden voor de WAO op en na 1 juli 2000 overschat.

De Raad oordeelt als volgt.

Appellant heeft zijn stelling dat het overgangsrecht inzake de AAW/WAZ van toepassing is, gebaseerd op artikel XIII, eerste lid, aanhef en onder d, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (hierna: de Invoeringswet). In artikel XIII, eerste lid, van deze wet is het volgende bepaald:

"1. De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals die wet op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet te zijnen aanzien gold, blijft, met uitzondering van de in het tweede lid genoemde artikelen, van toepassing op de persoon:
a. wiens arbeidsongeschiktheid in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingetreden en uitsluitend omdat de wachttijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet nog niet was verstreken, op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering had, met betrekking tot het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering onmiddellijk na afloop van het in dat lid genoemde tijdvak van 52 weken of binnen vier weken na afloop van dat tijdvak;
b. die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, met betrekking tot dat recht;
c. [vervallen];
d. die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet had, doch met toepassing van artikel 32a, 37 of 38 van die wet in aanmerking zou komen voor toekenning of heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, met betrekking tot die arbeidsongeschiktheidsuitkering;
e. wiens arbeidsongeschiktheid in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet voor de dag van inwerkingtreding van deze wet is ingetreden en voor wie de wachttijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet op die dag was verstreken, doch die op die dag geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van die wet, uitsluitend omdat een aanvraag tot toekenning van die uitkering niet was ingediend, met betrekking tot die arbeidsongeschiktheidsuitkering."

Aangevoerd is dat appellant weliswaar op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WAZ (per 1 januari 1998) geen recht had op een AAW-uitkering, maar dat hij met ingang van 23 juni 1999 alsnog in aanmerking is gekomen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering vanwege zijn vroegere werkzaamheden als zelfstandige. Die uitkering is gebaseerd op toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak (heupklachten) als die ten grondslag lag aan de uitval van appellant in 1997. Daarom zou sprake zijn van een situatie als bedoeld in artikel XIII, eerste lid, aanhef en onder d van de Invoeringswet, waar onder andere wordt verwezen naar artikel 32a van de AAW.

Ingevolge artikel 32a, eerste lid, van de AAW, vindt - indien degene die aan het einde van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken - toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant op het moment van inwerkingtreding van de WAZ op 1 januari 1998 niet over een AAW-uitkering beschikte en ook niet na afloop van de wachttijd op 2 maart 1999 voor een AAW-uitkering in aanmerking zou zijn gekomen omdat hij op die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt is geacht. De mogelijkheid om in het kader van een nieuwe aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering een beroep te doen op de AAW is daardoor niet langer meer voorhanden, zodat de aanvraag moet worden beoordeeld op grond van de regels van de WAZ. Omdat appellant op 31 december 1997 de wachttijd nog niet had vervuld leidt, aldus de rechtbank, toepassing van artikel XIII, eerste lid, aanhef en onder d van de Invoeringswet evenmin tot het oordeel dat de AAW nog op de situatie van appellant dient te worden toegepast. Dat brengt mee dat aan het bepaalde in artikel 32a van de AAW in dit kader geen betekenis kan toekomen.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en voegt daaraan toe dat ook uit het derde lid van artikel XIII van de Invoeringswet blijkt dat de AAW niet van toepassing is. Dit artikellid luidt immers als volgt:

"De toepasselijkheid van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet eindigt indien een persoon niet of niet langer in aanmerking komt voor toekenning of heropening van zijn recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, anders dan op grond van het eerste lid."

Ter onderbouwing van zijn stelling dat gedaagde zijn arbeidsmogelijkheden per 1 juli 2000 heeft overschat, is namens appellant in hoger beroep een brief met bijlagen ingezonden van zijn behandelend orthopedisch chirurg, waarin deze een overzicht geeft van het verloop van de heupklachten van appellant in het jaar 2000. In de loop van dat jaar zijn de heupklachten van appellant zodanig toegenomen dat uiteindelijk in november een operatie heeft moeten plaatsvinden. Gedaagde heeft deze stukken voorgelegd aan de bezwaarverzekeringsarts die hierin aanleiding vond om de belastbaarheid aan te scherpen op de aspecten staan en lopen. Hierbij zijn zowel staan en lopen beperkt tot maximaal een half uur per werkdag, 5 minuten aaneengesloten. Met deze gewijzigde beperkingen voldoet de functie assemblagemedewerker niet aan de gestelde belastbaarheid, zodat die is komen te vervallen. Voor de schatting heeft dit, aldus gedaagde, evenwel geen consequenties omdat die functie kan worden vervangen door de, eveneens aan appellant voorgehouden, functie datatypiste en de arbeidsongeschiktheidsklasse alsdan 35 tot 45% blijft.

Naar het oordeel van de Raad is met de aanscherping van de belastbaarheid voldoende rekening gehouden met de heupklachten van appellant en zijn de functies waarop de schatting uiteindelijk is gebaseerd met die belastbaarheid in overeenstemming. Voorts is de Raad niet gebleken dat de conclusie van gedaagde ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid onjuist is.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x