Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT6728
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Directeur-grootaandeelhouder van een aannemersbedrijf met longklachten. Gedeeltelijke WAO-uitkering. Is er sprake van verslechtering? Dient te worden uitgegaan van de feitelijke verdiensten of is een theoretische schatting aan de orde?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3374 WAO en 03/6362 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. A. Schokkenbroek, werkzaam bij Das Rechtsbijstand te Amsterdam, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 2 mei 2001 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 00/4065, verder te noemen: uitspraak 1), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 27 december 2001 nadere stukken toegezonden.

Mr. R.P.P. Caubo, advocaat te Almere, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Desgevraagd heeft F.M.L.H.G. Palmen, longarts te Tilburg, op 3 december 2003 een reactie gegeven op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer, welke reactie voor De Brouwer aanleiding is geweest om op 23 januari 2004 te reageren.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 februari 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Caubo, voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 22 november 2004 A. Lukker, longarts te Venlo, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

Lukker heeft onder dagtekening 27 december 2004 van dat onderzoek verslag uitgebracht.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 26 januari 2005 gereageerd op het rapport van Lukker.

Namens appellant heeft mr. Caubo, voornoemd, tevens op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 4 november 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/2366 WAO, verder te noemen: uitspraak 2), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

De gedingen zijn vervolgens behandeld ter zitting van de Raad op 13 april 2005, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.F. Bergman.




II. MOTIVERING


Appellant is directeur-grootaandeelhouder van een aannemersbedrijf. In verband met longklachten ontvangt hij sedert 29 april 1996 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij brief van 28 december 1998 heeft appellant een herkeuring aangevraagd, omdat zijn gezondheid ten opzichte van de laatste keuring achteruit is gegaan.

Naar aanleiding van dit verzoek is appellant op 12 april 1999 onderzocht door de verzekeringsarts P. Botman, die mede na bestudering van het dossier en het opvragen van informatie bij de behandelend longarts, blijkens zijn rapport van 12 april 1999 het standpunt heeft ingenomen dat de laatstelijk op 28 november 1995 vastgestelde belastbaarheid nog steeds geldig was, met uitzondering van het aspect lopen, waarvoor Botman een beperking tot een half uur aaneengesloten heeft aangegeven.

De arbeidsdeskundige G.W.M. Scheepers heeft vervolgens het Functie-Informatie-Systeem (fis) geraadpleegd en blijkens zijn rapport van 26 april 1999 het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 45,9%. Dienovereenkomstig heeft gedaagde bij besluit van 28 mei 1999 met ingang van 28 december 1998 de uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 14 april 2000 (bestreden besluit 1) heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de aanvullende informatie van de behandelend longarts geen aanleiding heeft gegeven het belastbaarheidspatroon nader aan te passen. De rechtbank heeft bij uitspraak 1 het beroep ongegrond verklaard.

In 2001 heeft een vijfdejaarsherbeoordeling plaatsgevonden. Het resultaat van deze herbeoordeling, te weten dat de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd kan worden gesteld op 45 tot 55%, is aan appellant meegedeeld bij besluit van 22 juni 2001. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft gedaagde bij besluit van 4 december 2001 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 4 december 2001 zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Naar aanleiding van de ontvangst van een kopie van de aangifte inkomstenbelasting over 2000 heeft de arbeidsdeskundige Th. Hikspoors een berekening van het loonverlies gemaakt, uitgaande van de daadwerkelijke verdiensten van appellant. Blijkens zijn rapport van 28 februari 2002 heeft Hikspoors het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 5,24%. Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 15 maart 2002 de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% zou bedragen. In bezwaar is de bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens tot de conclusie gekomen dat Hikspoors onvoldoende rekening heeft gehouden met de voorgeschiedenis. Volgens Litjens is niet gebleken van een wezenlijke verandering in de bedrijfsvoering tussen het eerdere beoordelingsmoment van april 1999 en de situatie vanaf januari 2000 en is het verlies aan verdienvermogen op grond van de praktische verdiensten te schatten op 71%, waarmee de praktische verdiensten geen discrepantie vormen met de klasse-indeling. Bij besluit van 1 augustus 2002 (bestreden besluit 2) heeft gedaagde het bezwaar gegrond verklaard, onder vervallenverklaring van het primaire besluit van 15 maart 2002. Daarbij is overwogen dat het inkomen uit arbeid moet worden gesteld op 25% van het loon en dat de mate van arbeidsongeschiktheid hiermee onveranderd moet worden gesteld op 45 tot 55%.

De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak 2 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij meer beperkingen heeft dan gedaagde aanneemt en dat hij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.

De Raad overweegt het volgende.



Bestreden besluit 1 (reg.nr. 01/3374 WAO)

Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep in geding gebrachte medische rapporten heeft de Raad aanleiding gezien appellant te laten onderzoeken door de longarts Lukker. Lukker is in zijn rapport van 27 december 2004 tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een emfysemateuze degeneratie van de long en dat deze aandoening tussen 2000 en 2004 niet progressief is geweest. Hij vindt het daarom verantwoord om de belastbaarheid eind 2004 gelijk te stellen aan de belastbaarheid per 1 januari 2000. De belastbaarheid per 28 december 1998 acht hij op basis van de voorhanden zijnde informatie beter dan de huidige belastbaarheid. Lukker acht de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid adequaat, zij het dat hij vindt dat blootstelling aan koude en hitte en sterke temperatuurswisseling beperkter moet zijn. Hij acht de geselecteerde functies adequaat met uitzondering van de functie van samensteller, omdat dit werk in een vochtige atmosfeer geschiedt.

De Raad heeft geen aanleiding gevonden de conclusies van Lukker niet te volgen voorzover hij een oordeel geeft over de vastgestelde belastbaarheid per 28 december 1998 en 1 januari 2000. Lukker is tot zijn conclusies gekomen na eigen onderzoek en na bestudering van de in het dossier aanwezige medische gegevens. Hij heeft daarbij de conclusies van zijn collega’s Gooszen en Palmen betrokken. De Raad volgt de conclusie van Lukker echter niet, voorzover het gaat om de geschiktheid van appellant voor de functie van samensteller. De bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters heeft namelijk in zijn rapport van 24 januari 2005 op overtuigende wijze gemotiveerd aangegeven dat de functie van samensteller niet wordt uitgeoefend in een vochtige atmosfeer. Ten slotte is de Raad van oordeel dat in geen van de functies sprake is van blootstelling aan koude en hitte of een sterke temperatuurswisseling.

Voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt en dat deze uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.



Bestreden besluit 2 (reg.nr. 03/6362 WAO)

Ten aanzien van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 overweegt de Raad dat aan bestreden besluit 2 uiteindelijk een rapportage ten grondslag ligt van de bezwaararbeidsdeskundige C.G. Litjens van 10 juli 2002. Kennelijk heeft Litjens bedoeld te zeggen dat de feitelijke verdiensten evenredig zijn aan de bestaande mate van arbeidsongeschiktheid. Bestreden besluit 2 behelst evenwel een ongewijzigde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2000, met als motivering dat de bestaande mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd moet worden vastgesteld op 45 tot 55%, omdat appellants inkomen uit arbeid moet worden gesteld op 25% van zijn loon. De Raad stelt vast dat in dit geval van toepassing is het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (Stb. 1997, 801), en dat op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder h bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van de feitelijke inkomsten uit arbeid, mits dit leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid dan is vastgesteld op basis van een theoretische schatting.

Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2000 had gedaagde niet mogen volstaan met een schatting op basis van feitelijke verdiensten. Er had tevens een theoretische schatting moeten plaatsvinden, waartoe ook een medisch onderzoek naar de op 1 januari 2000 geldende belastbaarheid behoort. Nu gedaagde dit heeft nagelaten is sprake van een onzorgvuldig voorbereiding als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid van de Awb. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt en die uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij mogen tevens de door de Raad onderschreven conclusies van de dezerzijds ingeschakelde longarts Lukker worden betrokken, nu Lukker desgevraagd ook een oordeel heeft gegeven over de medische situatie van appellant op 1 januari 2000.

Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht gedaagde te veroordelen in de schade aan de kant van appellant.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.
Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade, die overigens door appellant niet nader is toegelicht, uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden.
Gedaagde zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak in de zaak met reg.nr. 01/3374 WAO;
Vernietigt de aangevallen uitspraak in de zaak met reg.nr. 03/6362 WAO;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 1 augustus 2002 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x