Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT6744
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking WAO-uitkering. Juistheid van het arbeidskundig onderzoek. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden in stand gelaten. Wet TBA.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1165 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Marokko), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het Lisv.

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2003, nr. AWB 02/287 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. In aanvulling op het aanvullend beroepschrift heeft appellant bij brief van 28 april 2003 een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige
G.C. van Welzenis van 9 april 2003, met bijlagen, ingezonden.

Namens gedaagde heeft diens echtgenote een brief aan de Raad doen toekomen. Vervolgens heeft mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel, als gemachtigde van gedaagde op 16 mei 2003 een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 15 april 2005, waar partijen - zoals tevoren bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Gedaagde, geboren [in] 1959, is in Nederland werkzaam geweest als tuinbouwmedewerker. Op 29 september 1993 heeft hij zich ziek gemeld en op 13 oktober 1993 is hij naar Marokko teruggekeerd. Nadat gedaagde appellant bij brief van 15 september 1994 had verzocht hem uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, is hem met ingang van 28 september 1994 een arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt.

Op 1 juli 1997 is gedaagde opgeroepen voor het spreekuur van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) in Casablanca, bij welke gelegenheid hij is onderzocht in aanwezigheid van de verzekeringsarts J. van Oort. Op 26 november 1997 heeft deze een belastbaarheidsprofiel van gedaagde opgesteld. Op 19 augustus 1999 heeft verzekeringsarts Van Oort opnieuw gerapporteerd en het belastbaarheidsprofiel aangepast. De arbeidsdeskundige E. Hallie heeft op basis van dossierstudie en raadpleging van het Functie Informatie Systeem (FIS) de resterende verdiencapaciteit van gedaagde vastgesteld. In zijn rapportage van 30 augustus 1999 kwam Hallie tot de conclusie dat gedaagde niet geschikt was voor de maatgevende arbeid van tuinbouwmedewerker, maar nog wel in staat was de functies van samensteller metaalproducten, inpakker en verspener te vervullen en daarmee een zodanig inkomen te verwerven dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedroeg. Bij zijn onderzoek beschikte de arbeidsdeskundige niet over gegevens met betrekking tot het arbeidsverleden van gedaagde, de inhoud van de laatstelijk verrichte arbeid en het bijbehorende maatmaninkomen. Wegens diens verblijf in Marokko kon bovendien geen overleg met gedaagde plaatsvinden en is gedaagde schriftelijk op de hoogte gesteld van de uitkomst van het arbeidskundig onderzoek.

Bij besluit van 4 mei 2000 heeft appellant de arbeidsongeschiktheidsuitkering van gedaagde met ingang van 5 november 2000 ingetrokken, op de grond dat zijn arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO minder dan 15% bedroeg. In het kader van de daarop volgende bezwaarprocedure is gedaagde opgeroepen voor medisch onderzoek. Op 27 april 2001 is gedaagde onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus, die geen reden zag het eerder vastgestelde belastbaarheidsprofiel voor onjuist te houden. Op 1 augustus 2001 - gedaagde was inmiddels weer teruggekeerd naar Marokko - is gerapporteerd door de bezwaararbeidsdeskundige A.J.A. Geurts, die tot het oordeel kwam dat de theoretische schatting stand kon houden, waarbij zij overwoog dat het vroegere functie- en beroepsniveau bij een beoordeling volgens de criteria van de Wet Terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) niet van belang is, zodat gegevens inzake opleiding en arbeidsverleden van gedaagde niet tot een ander resultaat zouden hebben geleid. Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant gedaagdes bezwaren tegen het besluit van 4 mei 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit wat het medische aspect betreft op een toereikende grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft de rechtbank echter geconstateerd dat essentiële gegevens, zoals opleiding, arbeidsverleden en omschrijving van de laatste door gedaagde verrichte arbeid, in de arbeidskundige rapportage ontbreken, terwijl het maatmaninkomen van gedaagde schattenderwijs is vastgesteld. De rechtbank is niet gebleken dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft getracht deze gegevens te achterhalen. Om die reden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het arbeidskundig onderzoek en het daarop gebaseerde bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Het beroep van gedaagde is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en appellant is opgedragen opnieuw op het bezwaar van gedaagde te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is overwogen.

In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich, wat betreft de arbeidskundige component, niet te kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
“Ten eerste wenst appellant op te merken dat het feit dat sommige (arbeidskundige) gegevens niet aanwezig zijn, tot stand is gekomen door een samenspel van factoren. Hierbij hebben tevens factoren die in de risicosfeer van gedaagde liggen, een rol gespeeld. Zo is gedaagde twee weken nadat hij zich ziek heeft gemeld naar Marokko vertrokken, alwaar hij nog altijd verblijft, hetgeen het vergaren van informatie ernstig bemoeilijkt. In dit verband wenst appellant nog op te merken dat er ook namens gedaagde geen arbeidskundige gegevens zijn ingebracht.
Weliswaar is daar door appellant niet expliciet naar gevraagd, doch een evidente onjuistheid c.q. onvolledigheid van de door appellant gehanteerde gegevens is nimmer namens gedaagde gesteld noch bewezen.
Appellant is voorts van mening dat het voor wat betreft de uitkomst van de schatting geen verschil gemaakt zou hebben, indien we wel de beschikking hadden gehad over de relevante gegevens m.b.t. gedaagdes opleiding en arbeidsverleden.
Hoewel een gegeven zoals de opleiding van een belanghebbende normaliter wel in het Functie Informatie Systeem wordt ingevoerd, is de relevantie van dit gegeven beperkt. Immers, op gedaagde is het (nieuwe) arbeidsongeschiktheidscriterium van augustus 1993 van toepassing, waardoor gedaagde in principe voor alle algemeen geaccepteerde arbeid, waarmee hij het meest kan verdienen, in aanmerking komt. In dit licht bezien is ook de relevantie van gedaagdes arbeidsverleden beperkt, waarbij opgemerkt dient te worden dat het gegeven dat gedaagde in Nederland werkzaam is geweest als tuinbouwmedewerker wel degelijk in de schatting is betrokken. Mede gelet op de overige omstandigheden van het geval kan appellant de rechtbank dan ook niet volgen in haar opvatting dat de ontbrekende gegevens een zodanig essentieel karakter hebben, dat het ontbreken daarvan zou moeten leiden tot de conclusie dat het arbeidskundig onderzoek alsmede het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen. Appellant is ten slotte van mening dat gedaagde, door de wijze van schatting van zijn maatmanloon (minimumloon + 30%), zeker niet te kort is gedaan. Namens gedaagde is het geschatte maatmanloon ook niet bestreden.”

Blijkens de in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Van Welzenis van 9 april 2003 heeft deze onderzocht, of:
- de functieduiding actueel (en passend/geschikt) voor gedaagde was op datum effectueren schatting 5 november 2000;
- er nog relevante informatie over gedaagde (functie, loon, etc.) te achterhalen was bij de laatste werkgever van gedaagde;
- op basis van eertijdse CAO-gegevens na te gaan was wat gedaagde verdiend zou hebben en wat de hoogte van het geïndexeerde maatmaninkomen per datum 5 november 2000 zou zijn.

Het onderzoek leverde de volgende resultaten op:
- van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies waren de functies van samensteller metaalproducten en inpakker, alsmede de aanvullend voorgehouden functies van printplatenmonteur, samensteller elektrotechnische producten en inlegger, inmaker vis ook op de datum in geding actueel en passend; de functie van verspener diende echter te vervallen, omdat die niet voldoende arbeidsplaatsen meer vertegenwoordigde;
- het tuinbouwbedrijf, waar gedaagde voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland gewerkt had, bestond reeds enkele jaren niet meer, waardoor daar geen informatie kon worden achterhaald;
- op basis van de CAO Tuinbouw 1997 (de oudste, nog raadpleegbare, gegevens) en de gecorrigeerde indexcijfers CBS voor januari 1997 en november 2000 bedroeg het maatmaninkomen van gedaagde op 5 november 2000 ƒ 19,18 per uur, zodat er - afgezet tegen het mediane uurloon van de voorgehouden functies van ƒ 20,19 - geen verlies aan verdiencapaciteit was.
De conclusie is dat het eerder ingenomen en in het bestreden besluit vervatte standpunt geen wijziging behoefde.

Van de zijde van gedaagde is bij wijze van verweer aangevoerd dat het arbeidskundig onderzoek zó essentieel is, dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd op de grond dat dit onderzoek op gebrekkige of onzorgvuldige wijze was uitgevoerd door appellant. Naar de mening van gedaagdes gemachtigde had appellant zelfstandig onderzoek kunnen doen in Marokko dan wel gedaagde kunnen oproepen voor onderzoek in Nederland. Gedaagde acht het niet juist dat appellant in hoger beroep door middel van een aanvullend arbeidskundig onderzoek het bestreden besluit achteraf ‘recht praat’. Appellant had in plaats daarvan alsnog een WAO-uitkering aan gedaagde moeten toekennen en had vervolgens op basis van de nieuwe arbeidskundige rapportage een nieuwe beslissing kunnen nemen voor een later tijdstip.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit is gebaseerd op een ontoereikende arbeidskundige grondslag. Appellant zij toegegeven dat de problemen bij het verkrijgen van de benodigde gegevens mede het gevolg zijn van het feit dat gedaagde in Marokko verbleef en aanvankelijk niet bereid was voor onderzoek naar Nederland te komen. Dit neemt evenwel niet weg dat appellant bij het vergaren van vereiste informatie voortvarender te werk had kunnen gaan. Daarbij heeft de Raad geconstateerd dat de besluitvorming met betrekking tot gedaagdes aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkering aanzienlijke tijd in beslag heeft genomen. Zo had appellant gedaagde na diens aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering in 1994 schriftelijk om gegevens met betrekking tot zijn arbeidsverleden kunnen vragen op een tijdstip dat ook bij de voormalige werkgever van gedaagde nog informatie verkregen had kunnen worden. Verder had het voor de hand gelegen gedaagde, toen hij in het kader van de bezwaarprocedure in Nederland verbleef voor onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts, tevens voor een gesprek met de bezwaararbeidsdeskundige op te roepen teneinde aldus de gewenste informatie van hem te verkrijgen. De Raad deelt voorts niet de visie van appellant dat factoren als opleiding en arbeidsverleden bij de arbeidskundige beoordeling sinds de inwerkingtreding van de Wet TBA in 1993 nog slechts een ondergeschikte rol spelen. Gelet op het bepaalde in artikel 18 van de WAO dient het bij de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit van een verzekerde immers te gaan om geschiktheid voor ‘alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is’. Evenals de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat sprake is van essentiële gegevens ten behoeve van de arbeidskundige beoordeling, zodat het bestreden besluit door de rechtbank terecht wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Awb is vernietigd.

In de in hoger beroep overgelegde en hierboven samengevatte arbeidskundige rapportage acht de Raad door appellant genoegzaam aangetoond dat gedaagde op de datum in geding minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Appellant heeft geen aanleiding gezien dienaangaande een nieuw besluit op bezwaar te nemen, zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak had opgedragen. Anders dan gedaagde meent, had het appellant echter bij het nemen van een nieuw besluit vrijgestaan daarin de datum van intrekking van het oorspronkelijke besluit te handhaven, zoals de Raad bij herhaling heeft uitgesproken. Nu het nadere arbeidskundige onderzoek van appellant, waarvan de resultaten van de zijde van gedaagde niet inhoudelijk zijn weersproken, niet tot een gewijzigde conclusie ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde op de datum in geding leidt, acht de Raad het aangewezen de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 21 december 2001 in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten in hoger beroep.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) J.J.B. van der Putten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x