Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT6764
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vrachtwagenchauffeur uitgevallen met rugklachten. Is de mate van arbeidsongeschiktheid in kader van de WAO juist vastgesteld? Zijn de geduide functies gezien betrokkenes opleiding geschikt?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2833 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen onder dagtekening 1 mei 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer 00/1172 WAO 06. De gronden van het hoger beroep zijn aangevoerd door mr. P.A.M. Staal, advocaat te Woerden, die zich als opvolgend gemachtigde van appellant had gesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 19 april 2005, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant is op 18 februari 1999 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur. Bij besluit van 8 maart 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 17 februari 2000, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Bij besluit van 3 oktober 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2000 gegrond verklaard en aan appellant alsnog met ingang van 17 februari 2000 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Blijkens de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens berust het bestreden besluit op een beoordeling volgens welke appellant weliswaar niet meer geschikt is voor het eigen vroegere werk als vrachtwagenchauffeur, maar nog wel in staat is tot het verrichten van diverse andere loondienstfuncties. Gedaagdes bezwaararbeidsdeskundige heeft bij (hernieuwde) raadpleging van het Functie Informatie Systeem als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden de volgende functies geselecteerd: inpakker genees- en levensmiddelen, dompelaar en parkeercontroleur, en vastgesteld dat vergelijking van de aan die functies te ontlenen resterende verdiencapaciteit met het maatgevende inkomen van appellant leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 34,08%, overeenkomend met indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

De rechtbank heeft in de namens appellant in beroep aangevoerde bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit aanleiding gevonden om de orthopedisch chirurg G.J.I.M. van der Werf als deskundige te raadplegen. Gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens, waaronder de bevindingen van de deskundige Van der Werf, heeft de rechtbank geoordeeld dat de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen niet onjuist door gedaagde zijn ingeschat. Daarvan uitgaande moet appellant ten tijde hier van belang in staat worden geacht evenvermelde drie voor de schatting gebruikte functies te vervullen.

De rechtbank heeft het tevens genoegzaam aannemelijk geacht dat die functies ook in arbeidskundig opzicht, in het bijzonder wat betreft het in twee van die functies gevraagde opleidingsniveau - te weten VBO-niveau in de functie van monteur en VBO/MAVO-niveau in de functie van parkeercontroleur - voor appellant geschikt zijn te achten, waarbij de rechtbank van belang heeft geacht de jarenlange ervaring van appellant als nationaal werkend vrachtwagenchauffeur.

In hoger beroep is namens appellant uitsluitend aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het feit dat ook de functie van parkeercontroleur voor hem passend is bevonden, zulks gelet op het feit dat hij met moeite de lagere school heeft voltooid en beheersing van de Nederlandse taal niet zijn sterkste kant is.

De Raad overweegt in de eerste plaats aanleiding te zien om zijn beoordeling te beperken tot vorenomschreven grief van arbeidskundige aard met betrekking tot de functie van parkeercontroleur.

De Raad ziet vervolgens die grief, in navolging van de rechtbank, niet slagen. Uit de beschikbare gegevens komt naar voren dat appellant de lagere school heeft doorlopen en vervolgens de toenmalige ambachtschool heeft bezocht, zij het dat hij die school niet met een diploma heeft afgesloten. Tevens blijkt appellant in staat te zijn geweest zijn rijbewijs BCDE te behalen en vervolgens jarenlang als vrachtwagenchauffeur te functioneren.

Onder deze omstandigheden houdt ook de Raad het ervoor dat appellant geacht moet worden te beschikken over het voor de functie van parkeercontroleur vereiste VBO/MAVO-niveau. De gestelde beperkte (schriftelijke) beheersing van de Nederlandse taal staat evenmin in de weg aan het kunnen vervullen van deze functie door appellant, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat ook de eisen die in deze functie worden gesteld aan (schriftelijke) taalbeheersing een beperkt karakter zullen hebben.

Het hoger beroep van appellant slaagt aldus niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.R.H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x