Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT6816
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Berusten de geselecteerde functies op een juiste arbeidsdeskundige grondslag? Wat houdt bij de geselecteerde functies de term "affiniteit" in?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4464 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 6 maart 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 mei 2001, waarbij gedaagde heeft geweigerd om aan appellante in aansluiting op de zogeheten wachttijd van 52 weken een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen onder de overweging dat zij wegens ziekte of gebrek niet zodanig beperkt is dat zij haar eigen werk niet kan verrichten, gegrond verklaard en aan appellante met ingang van 15 maart 2001 een uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij uitspraak van 16 juli 2003, nr. 02/674 WAO, heeft de rechtbank Breda het beroep tegen het besluit van 6 maart 2002 ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. P. Burger, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift van 2 september 2003 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 12 november 2003, ingediend.Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 april 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Burger, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.

Naar aanleiding van het, op verzoek van de rechtbank uitgebrachte, rapport van de revalidatiearts G.H.F. van der Leeuw van 12 december 2002, het commentaar daarop van mr. Burger van 15 januari 2003 en de reactie van Van der Leeuw, voornoemd, van 17 maart 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige F. Schrijer bezien welke functies, rekening houdend met de bevindingen van de revalidatiearts (nog) passend zijn voor appellante. Schrijer, voornoemd, is tot de conclusie gekomen dat de volgende functies als passend beschouwd kunnen worden:
- Decaan MBO college (Fb-code 1395)
- Coach (Fb-code 1946)
- Secretaresse verpleegafdeling (Fb-code 3213)
Vergelijking van het mediane loon van deze functies met het maatmaninkomen van appellante leidt tot een verlies aan verdienvermogen van 39,84%.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank vormen de drie hierboven genoemde functies een voldoende basis voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Verder is de rechtbank, in het bijzonder op grond van het rapport van de door haar als deskundige ingeschakelde revalidatiearts Van der Leeuw, er voldoende van overtuigd dat deze functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de functie Coach niet voor de schatting gebruikt mag worden omdat bij deze functie als een van de functie-eisen wordt gesteld dat men affiniteit heeft op het terrein van arbeidsbemiddeling. Appellante stelt dat zij niet aan deze eis kan voldoen.

Gedaagde heeft als verweerschrift een reactie van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris ingediend. Daarin is (onder meer) het volgende aangegeven: “ (...) Als affiniteit wordt in het FIS een vaardigheid als kenmerk van een persoon aangeduid. Met affiniteit wordt niet iemands persoonlijke voorkeur bedoeld. Door te verwijzen naar het arbeidsverleden van betrokkene, gaat gemachtigde voorbij aan de betekenis van het begrip affiniteit. De gemachtigde geeft aan dat aan het begrip affiniteit een gelijke waarde als het hebben van relevante werkervaring. Voor de geduide functie wordt geen ervaring met arbeidsbemiddeling vereist.”

Vervolgens heeft Saris aangegeven dat appellante - door haar jarenlange ervaring als muziekdocente - beschikt over vaardigheden die ook in de functie Coach van belang zijn, zoals organisatorische, verbale, servicegerichte en persuasieve vaardigheden. Ervan uitgaande dat appellante beschikt over de genoemde vaardigheden stelt Saris dat appellante affiniteit heeft met arbeidsbemiddeling. Niet is gebleken dat de functie eigenschappen vereist waarover appellante niet zou beschikken. De conclusie is dat de functie Coach geschikt wordt geacht voor appellante.

Ter zitting van de Raad op 1 april 2005 heeft mr. Burger opgemerkt dat het niet gaat om een affiniteit met betrekking tot een persoonskenmerk die voor de functie nodig is, maar een ervaringseis die door de werkgever wordt gesteld. Dit betekent niet dat men werkzaam moet zijn geweest in de arbeidsbemiddeling, maar dat er een kenbare aantrekking of specifieke belangstelling moet bestaan voor het terrein arbeidsbemiddeling. Burger heeft erop gewezen dat in de Standaard Professionele Eindselectie is opgenomen: “In de functiebeschrijvingen van het FIS staan de minimale eisen die de werkgever stelt aan de opleiding en ervaring bij de aanvang van het dienstverband. Deze eisen zijn een vast gegeven voor de arbeidsdeskundige.”

Namens gedaagde is gewezen op de invulling van het begrip Affiniteit in de jurisprudentie van de Raad, zie - onder meer - CRvB 11 juli 2000, USZ 2000/211.

De Raad is van oordeel dat de functie Coach niet voor de schatting gebruikt kan worden en overweegt daartoe als volgt.

Op de arbeidsmogelijkhedenlijst staat bij de functie Coach vermeld:
“Ervaring: Dient affiniteit te hebben met arbeidsbemiddeling.”

Anders dan in de uitspraak van de Raad van 11 juli 2000, waar gedaagde op heeft gewezen, is hier niet aan de orde de eigen invulling van het begrip ‘Affiniteit’ door appellante of de invulling van dat begrip door het Uwv. In het onderhavige geval moet ‘affiniteit met arbeidsbemiddeling’ naar het oordeel van de Raad worden opgevat als een eis van de werkgever, dat wil zeggen een voorwaarde om de functie te kunnen verkrijgen

De Raad is van oordeel dat de functie Coach, gelet op de gestelde ervaringseis, niet als passend voor appellante beschouwd kan worden. De enkele omstandigheid dat appellante ervaring als muziekdocente heeft (en ongetwijfeld mede daardoor bepaalde vaardigheden heeft ontwikkeld), laat onverlet dat daarmee niet is gegeven dat appellante voldoet aan de door de werkgever gestelde voorwaarde. Aldus moet worden geconcludeerd dat er nog slechts twee functies resteren die aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd. Hieruit volgt dat het besluit van 6 maart 2002 niet op een juiste arbeidskundige grondslag berust en dat het besluit wegens motiveringsgebrek evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit ten onrechte in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 116,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.H.A. Uri.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x