Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT7655
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Productiemedewerkster, uitgevallen met psychische klachten. Weigering WAO-uitkering. Was betrokkene reeds volledig arbeidsongeschikt bij de aanvang van de verzekering? Was zij geschikt voor haar eigen werk? Zorgvuldigheid. Motivering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/842 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 januari 2003, nummer 01/1383 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellantes gemachtigde heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 22 april 2005, waar partijen - zoals tevoren was bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellante heeft op 8 november 1995 haar werkzaamheden als productiemedewerkster via een uitzendbureau in verband met psychische klachten gestaakt. Zij heeft gedaagde verzocht haar in aanmerking te brengen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij besluit van 5 november 1996 heeft gedaagde appellante een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd onder overweging dat appellante op 16 oktober 1995, de datum waarop zij inkomsten in de zin van de AAW ging verwerven c.q. waarop haar verzekering ingevolge de WAO aanving, reeds volledig arbeidsongeschikt was.

Appellante heeft van 15 september 1998 tot 15 september 1999 werkzaamheden verricht voor de gemeente Doesburg en heeft aansluitend gedurende een half jaar wachtgeld ontvangen. Op 13 maart 2000 is zij via uitzendbureau CAPAC als productiemedewerker gaan werken bij Polimoon. Op 11 april 2000 heeft appellante deze werkzaamheden in verband met diverse klachten gestaakt. Zij heeft gedaagde verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO.

Appellante is op 13 december 2000 onderzocht door de verzekeringsarts Eikendal. Deze verzekeringsarts is op basis van zijn eigen onderzoek en inlichtingen van appellantes huisarts en de RIAGG tot het oordeel gekomen dat appellante geschikt is voor haar eigen werk van productiemedewerkster, subsidiair dat zij reeds arbeidsongeschikt was bij de aanvang van haar verzekering. Bij besluit van 18 januari 2001 heeft gedaagde appellante een uitkering ingevolge de WAO geweigerd op de grond dat zij bij de aanvang van haar verzekering op 13 maart 2000 reeds volledig arbeidsongeschikt was.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is er onder andere op gewezen dat appellantes verzekering ingevolge de WAO niet (opnieuw) is aangevangen op 13 maart 2000, doch dat zij voorafgaand aan die datum verzekerd was op grond van haar dienstverband met de gemeente Doesburg en het vervolgens genieten van wachtgeld.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick nadere inlichtingen ingewonnen bij de RIAGG. De bezwaarverzekeringsarts Van Gulick heeft op 29 juni 2001 rapport uitgebracht. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts, de nadere inlichtingen van de RIAGG, de inhoud van het (aanvullend) bezwaarschrift en hetgeen naar voren is gekomen bij de hoorzitting, is hij tot het oordeel gekomen dat appellante per einde wachttijd geschikt is te achten voor haar eigen werk van productiemedewerkster. Bij het bestreden besluit van 3 juli 2001 heeft gedaagde dit oordeel overgenomen en appellantes bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen en overweegt daartoe het volgende.
Zowel gedaagdes verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts hebben appellante geschikt bevonden voor haar arbeid als productiemedewerkster. De Raad merkt op dat zij bij deze beoordeling evenwel geen inzicht hebben gehad in de inhoud en de zwaarte van deze functie. Immers, eerst in het kader van de procedure in eerste aanleg is bij CAPAC en bij Polimoon informatie ingewonnen over de door appellante verrichte werkzaamheden. Daarbij klemt te meer dat blijkens de door CAPAC gegeven informatie gezien de hoogte van appellantes inkomsten sprake moet zijn geweest van avond- en nachtdiensten, terwijl uit de informatie van de RIAGG blijkt dat bij appellante sprake is van recidiverende depressieve en psychosomatische klachten, die zich ten tijde hier van belang manifesteerden.

Gezien het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet door zijn motivering wordt gedragen, zodat dit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. Gedaagde zal opnieuw op appellantes bezwaar dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen 966,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.D.A. Bos.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x