Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT7744
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Chef-werkplaats bij een autobedrijf. Depressieve en postwhiplashklachten. Vijfjaarsbeoordeling. Gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Bij het tweede besluit is het arbeidsongeschiktheidspercentage verhoogd. Proceskostenveroordeling.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3159 WAO en 05/1546 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. D. Schneider, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 mei 2003, nummer 01/2191 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 januari 2005 heeft mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Leerink, voornoemd, en waar namens gedaagde - met voorafgaand bericht - niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was laatstelijk sedert 1 april 1992 werkzaam als chef-werkplaats bij een autobedrijf te Deventer. Hij is op 14 oktober 1992 uitgevallen met depressieve en postwhiplashklachten. Bij brief van 24 augustus 1999 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat de aan hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, die op 6 oktober 1998 afliep, met ingang van 7 oktober 1998 wordt voorgezet voor een periode van vijf jaren, derhalve tot 7 oktober 2003, zulks naar een ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 november 2001 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Arnhem heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op basis van de beschikbare medische stukken geoordeeld dat gedaagdes beoordeling van de medische gesteldheid van appellant niet op onvoldoende gronden berust. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding voor de opvatting dat appellant meer of anders medisch beperkt is te achten dan gedaagde heeft vastgesteld. Volgens de rechtbank moet appellant dan ook op de in geding zijnde datum in staat worden geacht arbeid te verrichten die wat betreft belasting in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen.

Gedaagde heeft de Raad naar aanleiding van door hem gestelde vragen bij brief van 8 februari 2005 - onder verwijzing naar door hem bijgevoegde stukken - bericht dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 7 oktober 1998 nader dient te worden gesteld op 25 tot 35%. Bij genoemde brief heeft gedaagde zijn overeenkomstig die brief luidend besluit van gelijke datum (hierna: besluit 2) overgelegd.

De Raad overweegt het volgende.

Gedaagde heeft met besluit 2 wijziging gebracht in besluit 1. Nu besluit 2 niet geheel aan appellants beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit. Voorts dient het beroep van appellant tegen besluit 1, nu niet is gebleken van het behoud van enig procesbelang bij de beoordeling daarvan in verband met het nemen door gedaagde van besluit 2, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot het beroep van appellant, voor zover dit wordt geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2, overweegt de Raad als volgt.

Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebreken niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

De gemachtigde van appellant heeft in beroep aan de rechtbank een verslag, onder dagtekening 23 april 2002, van een door de zenuwarts J.S.M. Beerepoot bij appellant verrichte expertise overgelegd. Van de zijde van gedaagde is daarop door de bezwaarverzekeringsarts J.H.N. Verheijen in zijn rapportage van 17 februari 2003 gereageerd. In navolging van de rechtbank onderschrijft de Raad ten volle de opvattingen van Verheijen ten aanzien van het rapport van Beerepoot. De Raad constateert met gedaagde dat bij appellant geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf in de zin van de hiervoor bedoelde rechtspraak van de Raad, zou dienen te worden aangenomen dat ten aanzien van hem ten tijde in dit geding van belang sprake is van enige wezenlijke op ziekte of gebrek terug te voeren beperking ten aanzien van het verrichten van arbeid. Ook andere rapporten, zoals van de neuroloog H.J.D. de Zwart, de zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard en de klinisch-psychologen E.J. Overdorp en B.C. Evenboer-Otter, bieden - in het licht van de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Raad - een ontoereikende basis voor het bij appellant aannemen van arbeidsongeschiktheid in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft bij het vorenstaande in aanmerking genomen dat, gelet op het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische verklaringen en rapporten, geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat in appellants geval sprake zou (kunnen) zijn van het bijzondere geval waarin een toereikende objectieve vaststelling van ongeschiktheid tot werken niet geheel valt uit te sluiten om reden dat bij de - onafhankelijke - medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of welk gebrek precies die ongeschiktheid valt toe te schrijven.

De Raad ziet evenmin grond voor de namens appellant aangevoerde grief dat het vanwege gedaagde ingestelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek, zoals op grond van de richtlijn MAOC is vereist, niet voldoende serieus gericht is geweest op objectivering van appellants klachten. Wat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling ten materiële betreft is in voornoemde richtlijn nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de hiervoor vermelde vaste jurisprudentie van de Raad inzake het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip. Voor zover mitsdien het namens appellant gehouden betoog inzake de richtlijn MAOC aldus zou moeten worden begrepen dat onder de werking van meergenoemde richtlijn niet langer de eis zou gelden dat beperkingen, willen deze tot uitkering kunnen leiden, aantoonbaar dienen te berusten op ziekte of gebreken, dan berust dat betoog op een onjuist uitgangspunt.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende beslissing.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede op € 9,20 aan reiskosten in eerste aanleg en op € 21,60 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.479,80. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte rapport van de zenuwarts J.S.M. Beerepoot is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt appellant bij een bestede tijd van 4,5 uur, als door Beerepoot opgegeven, een forfaitaire vergoeding toe van € 365,54. Dit is gebaseerd op het voor een dergelijk rapport in artikel 1, eerste lid onder IV van de Wet tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit tarieven in strafzaken vastgestelde maximale uurtarief van € 81,23. De Raad overweegt ten slotte dat de vordering van appellant tot vergoeding van de kosten, verbonden aan het uitbrengen door de medisch adviseur J.M. van den Hatert van de rapportage van 30 december 1999 niet voor toewijzing vatbaar is. Het gaat hier om een op verzoek van appellants gemachtigde in de bezwaarfase uitgebracht rapport. Ten tijde hier van belang was inzake vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten nog van toepassing het oude recht. Gegeven de onder dat oude recht door de Raad gevormde jurisprudentie dienen in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. In een geval als het onderhavige is voor vergoeding van bedoelde kosten slechts plaats indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake is.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 februari 2005 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.479,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 114,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x