Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT7802
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Magazijnmedewerker bij een chocoladefabriek. Rug-, heup-, pols- en depressieve klachten. Weigering WAO-uitkering. Is betrokkene geschikt voor de geselecteerde functies?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4527 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 23 juli 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 02-1629 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 27 april 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Janszen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren [in] 1954, is werkzaam geweest als magazijnmedewerker in een chocoladefabriek. Op 12 december 2000 is hij uitgevallen wegens rug-, heup- en linkerpolsklachten, waarna per einde wachttijd een beoordeling heeft plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Nadat de verzekeringsarts R.T. Lansbergen appellant op 20 november 2001 had onderzocht, heeft hij in een rapport van dezelfde datum de volgende diagnose vastgesteld: surmenage met depressieve stemming bij persoonlijkheidsstoornis alsmede specifieke rugpijn (chronisch).
Op grond van deze diagnose is hij tot de conclusie gekomen dat appellant beperkingen heeft en met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een belastbaarheidspatroon opgesteld. Blijkens haar rapport van 21 februari 2002 is de arbeidskundige H.C. Boersma tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor onder meer de functies printplatenmonteur, wikkelaar rotoren, statoren en spoelen en samensteller van metaalproducten. Op basis van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 25 februari 2002 is appellant in overeenstemming met dit rapport meegedeeld dat hij na afloop van zijn wachttijd niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering.
In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen. Voorts is hij van mening dat ten onrechte geen informatie uit de behandelende sector is opgevraagd en dat het verlies aan verdiencapaciteit niet juist is berekend.

Op 8 september 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst een rapport uitgebracht, waarin hij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts heeft onderschreven. De grief van appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest heeft hij weersproken door te stellen dat de primaire verzekeringsarts een eigen onderzoek heeft ingesteld en daarbij de beschikking heeft gehad over gegevens van de behandelend psychiater D. Oppenheim. In overeenstemming met dit rapport heeft gedaagde bij besluit van 20 september 2002 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant zijn in bezwaar geuite grieven gehandhaafd met uitzondering van de grief dat het verlies aan verdiencapaciteit niet juist was berekend.

Voorts heeft in beroep op 9 december 2002 de arbeidskundige J.G. Grothe nog een rapport uitgebracht, waarin een nadere toelichting is gegeven op de geschiktheid van appellant voor de voor hem geselecteerde functies.

De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij om medische redenen - met name psychische - niet in staat is om de voor hem geselecteerde functies te verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Ten aanzien van de grief van appellant dat geen medische informatie uit de behandelende sector is opgevraagd, overweegt de Raad dat uit het rapport van de voornoemde verzekeringsarts Lansbergen blijkt dat deze bij de totstandkoming van zijn rapport de beschikking had over informatie van de behandelend psychiater Oppenheim. Ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. Deze grief van appellant kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet slagen. Dit geldt ook voor de grief dat hij meer beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant op geen enkele wijze aan de hand van (nadere) medische informatie aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

Voorts is de Raad van oordeel dat gedaagde de ogenschijnlijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de verwoording belasting van de verschillende voor appellant geselecteerde functies in voldoende mate heeft gemotiveerd, waarmee voor de Raad de geschiktheid van appellant voor deze functies in voldoende mate is komen vast te staan. Nu evenmin de arbeidskundige component van het bestreden besluit op onjuiste gronden berust, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet voor vernietiging in aanmerking komt.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist moet worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x