Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT7831
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-06-2005
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. Niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Psychische klachten en druk van de schuldeisers.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/969 WAO




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Opposant heeft bij faxbericht van 16 februari 2004 hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 7 januari 2004, reg.nr. 03/1094 WAO, tussen partijen gegeven uitspraak.

Bij uitspraak van 5 oktober 2004, welke op 22 oktober 2004 aan partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Namens opposant is mr. J.H. van Keeken, werkzaam bij Van Keeken juridisch advies bv te Putten, tijdig van die uitspraak in verzet gekomen.

Bij brief gedateerd 1 april 2005 heeft opposants gemachtigde de gronden van het verzet nader aangevuld en enige nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 april 2005, waar voor opposant is verschenen zijn echtgenote, [naam echtgenote] en waar geopposeeerde zich - met voorafgaand bericht- niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij uitspraak van 5 oktober 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de bij brief van 16 maart 2004 gestelde termijn, welke eindigde op 13 april 2004, is bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie is betaald.

Het griffierecht is eerst op 21 april 2004 op de rekening van de Raad bijgeschreven.

Derhalve is het griffierecht niet binnen de evengenoemde termijn ontvangen.

Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of bij de uitspraak van 5 oktober 2004 terecht is geoordeeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is te achten.

De gemachtigde van opposant heeft in het verzetschrift en het aanvullend verzetschrift aangevoerd dat de te late voldoening van het griffierecht verband hield met psychische klachten en spanningen vanwege de hoge druk van schuldeisers waar opposant geruime tijd onder gebukt ging. De echtgenote van opposant heeft ter zitting aangevoerd dat zij in een neerwaartse spiraal terecht waren gekomen, zakelijk en privé, en dat het veel energie en ellende heeft gekost om daar weer uit te komen. De gemachtigde en de echtgenote van opposant verwijzen voorts naar de ontvangst door opposant van meerdere brieven van de Raad waardoor verwarring is ontstaan over de termijn waarbinnen het griffierecht voldaan diende te worden. In dit verband heeft de echtgenote ter zitting nog aangegeven dat zij abusievelijk in de veronderstelling was dat het griffierecht uiterlijk 18 april 2004 betaald had moeten zijn.

Hetgeen namens opposant in verzet en ter zitting is aangevoerd bevat geen grond waarop kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest het griffierecht tijdig te voldoen. De Raad is van oordeel dat opposant duidelijk is gewezen op het feit dat de indiener van een hoger beroep een griffierecht verschuldigd is, terwijl opposant geruime tijd in de gelegenheid is gesteld om het griffierecht tijdig te voldoen.
Ofschoon de Raad de ernst van de door de gemachtigde en echtgenote van opposant geschetste levensomstandigheden en de daarmee gepaard gaande problemen niet wil onderschatten, kunnen deze omstandigheden niet de te late betaling van het griffierecht verontschuldigen, nu niet is gebleken dat opposant hierdoor buiten staat is geweest om het griffierecht tijdig te voldoen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) C.D.A. Bos.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x