Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT8063
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gastvrouw in een kapsalon, uitgevallen met rug- en vermoeidheidsklachten. Kan betrokkene de geselecteerde functies medisch gezien verrichten?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/3664 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. C. Bijlsma, advocaat te Middelburg, bij beroepschrift (met bijlagen) hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 30 juni 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 02/628), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 mei 2005, waar appellante - met kennisgeving - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante was sinds 1 februari 1998 werkzaam als gastvrouw bij een kapsalon voor 17,5 uur per week en na 1 oktober 1998 voor 22,5 uur per week. Op 1 december 1998 is zij uitgevallen voor deze werkzaamheden vanwege rugklachten en vermoeidheidsklachten. Op 31 januari 1999 is haar arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. Vervolgens heeft zij een uitkering ontvangen in het kader van de Ziektewet (ZW). Bij het einde van de wachttijd (30 november 1999) is zij in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO) op 4 oktober 1999 onderzocht door verzekeringsarts L. Verdonk. Deze verzekeringsarts komt na inlichtingen te hebben ingewonnen bij appellantes huisarts tot de conclusie dat er beperkingen gelden voor psychische belasting (zoals een hoge tempodruk) en fysieke inspanningen (zoals tillen, lang lopen en staan). De belastbaarheid van appellante heeft Verdonk weergegeven in het belastbaarheidpatroon. Verdonk acht appellante in staat om arbeid te verrichten indien rekening wordt gehouden met de vermelde belastbaarheid voor arbeid. Arbeidsdeskundige F. Vergunst heeft aan de hand van het belastbaarheidpatroon, na het raadplegen van het Functie Informatie Systeem (FIS), onder andere de functies stikster meubelbekleding, naaister en monteur printplaten voor appellante geschikt geacht.
Omdat appellante met deze gangbare arbeid nog minstens hetzelfde kan verdienen als voorheen, is volgens de arbeidsdeskundige geen sprake van een theoretisch verlies aan verdiencapaciteit en is de theoretische mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15%. Bij besluit van 14 april 2000 is aan appellante meegedeeld dat zij geen aanspraak kan maken op een WAO-uitkering.

Appellante is het niet eens met dit besluit en heeft bezwaar gemaakt. Bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels komt in haar rapport van 18 april 2001 tot de conclusie dat rekening dient te worden gehouden met extra beperkingen, zoals onder andere met de leeftijd, de tengere lichaamsbouw, de psychische belasting en een arbeidspatroon van maximaal 5 uur per dag. Rekening houdende met deze beperkingen heeft de bezwaarverzekeringsarts een nieuw belastbaarheidpatroon opgesteld.
Zij is van mening dat haar standpunt wordt bevestigd door de informatie die zij heeft ontvangen van huisarts J.L.F. Wortelboer en internist J.P. v.d. Sluis. Aan de hand van het nieuwe belastbaarheidpatroon heeft bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards op 25 september en 4 oktober 2001 het FIS opnieuw geraadpleegd en zijn de functies printplaatmonteur, telefoniste/centraliste en telefoniste/receptioniste als voor appellante geschikte functies overgebleven. Aan de hand van deze functies heeft hij de theoretische mate van arbeidsongeschiktheid van appellante (wederom) vastgesteld op minder dan 15%. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts op 26 september 2001 een rapport opgesteld naar aanleiding van het overleg tussen haar en de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de aangegeven restricties bij bepaalde functies. Naar aanleiding van ontvangen informatie van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 12 september 2002 geen aanleiding gezien om haar standpunt te wijzigen. Zij is van mening dat zij ondanks het ontbreken van duidelijke lichamelijke of psychische afwijkingen appellante sterk verminderd belastbaar heeft geacht en dat niet aannemelijk is gemaakt door appellante dat sprake zou zijn van meer beperkingen op de datum in geding. Bij het bestreden besluit van 11 oktober 2002 is het bezwaar tegen het primaire besluit van 14 april 2000 door gedaagde ongegrond verklaard.
In beroep bij de rechtbank heeft appellante zich - samenvattend - op het standpunt gesteld dat zij zichzelf niet in staat acht om arbeid te verrichten. Voorts kan zij zich niet verenigen met de geselecteerde functies.

Gedaagde heeft zijn standpunt toegelicht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft volgens zijn rapport van 21 januari 2003 onderzocht of de geselecteerde functies in zijn rapport van 5 oktober 2001 op de datum in geding actueel waren. Tevens hebben de bezwaarverzekeringsarts in rapport van 30 januari 2003 en de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 5 februari 2003 toegelicht waarom appellante, ondanks de overschrijdingen, geschikt is te acht voor de geselecteerde functies.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts bij het opstellen van het belastbaarheidpatroon voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante door onder andere een urenbeperking van 5 uur per dag aan te nemen. Tevens is de rechtbank is van oordeel dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante en dat deze functies, volgens de aanvullende informatie van de bezwaararbeidsdeskundige, daadwerkelijk aanwezig waren op de datum in geding. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien, op basis van de medische informatie ten tijde in geding, te oordelen dat appellante uitsluitend werkzaam zou kunnen zijn in een beperkt en beschermd werkverband.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat appellante het niet eens is met de aangevallen uitspraak omdat zij van mening is dat haar lichamelijke en psychische gezondheid werken volledig, maar ook gedeeltelijk, in de weg staat. Bovendien meent appellante dat de rapportage van huisarts P.F. de Doelder, van 12 juni 2003, waarin deze aangeeft dat appellante op dit moment geen werkzaamheden kan verrichten, ongemotiveerd is weerlegd in de aangevallen uitspraak. Appellante heeft haar standpunt aangevuld met de stelling dat haar ziekte alsmede de daar uit voortvloeiende gebreken door gedaagde onvoldoende zijn (h)erkend. Dit laat zich volgens haar verklaren door onvoldoende duidelijkheid in de medische wereld aangaande het “Chronische vermoeidheidssyndroom” (hierna: CVS). Inmiddels heeft de Gezondheidsraad volgens haar duidelijkheid gebracht over deze ziekte. Aan de hand van twee krantenartikelen stelt appellante zich op het standpunt dat thans een meerderheid van de Tweede kamer van mening is dat CVS als een officieel erkende ziekte bij WAO-keuringen dient te gelden. Gezien het bovenstaande en de informatie van de medisch deskundige van Argonaut, H. van Eijnsbergen, die appellante op 1 maart 2004 in het kader van de Algemene bijstandswet volledig arbeidsongeschikt heeft verklaard, is appellante van mening dat er aanleiding bestaat om het oordeel van de verzekeringsgeneeskundigen te laten toetsen door een onafhankelijk deskundige.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate rekening heeft gehouden met de vermoeidheidsklachten van appellante. Voor het vaststellen van de belastbaarheid is door de bezwaarverzekeringsarts gebruik gemaakt van informatie van de huisarts, internist J.P. v.d. Sluis, van eigen waarneming en het verhaal van appellante zelf. Op basis van dit belastbaarheidpatroon zijn er geschikte functies geduid. De overschrijdingen die in de functies optreden zijn gemotiveerd goedgekeurd na overleg tussen de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige. De brief van huisarts De Doelder geeft geen aanleiding om het belastbaarheidpatroon aan te passen. Gezien de veelheid aan medische informatie die reeds in het dossier aanwezig is, is het volgens gedaagde niet te verwachten dat het inschakelen van een deskundige meerwaarde zal hebben.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De bezwaarverzekeringsarts ontkent de aanwezigheid van kenmerken van chronische vermoeidheid niet en heeft naar het oordeel van de Raad voldoende rekening gehouden met de psychische en lichamelijke beperkingen van appellante bij het opstellen van het belastbaarheidpatroon d.d. 8 april 2001. Door bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards is op 21 januari 2003 nader onderzoek gedaan naar de actualiteit van de geduide functies op de datum in geding (30 november 1999) en is volgens de Raad in voldoende mate aangetoond dat de functies aanwezig waren. Daarnaast hebben bezwaarverzekeringsarts Van Thillo-Nadels en bezwaararbeidsdeskundige Wijngaard in hun rapporten van respectievelijk 30 januari 2003 en 5 februari 2003 de overschrijdingen van de geselecteerde functies naar het oordeel van de Raad voldoende toegelicht. De Raad is evenals gedaagde van oordeel dat appellante ondanks haar beperkingen in staat moest worden geacht om op de datum in geding met deze gangbare arbeid nog minstens hetzelfde te verdienen als voorheen.
De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Daarbij merkt de Raad overigens op dat de door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie geen betrekking heeft op de datum in geding. Ook hetgeen overigens door appellante is aangevoerd kan volgens de Raad niet leiden tot een ander oordeel.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen aanspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x