Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT8388
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het dagloon waarnaar de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering wordt berekend op een juiste wijze vastgesteld?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1578 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 6 mei 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen (onder meer) een besluit van 7 augustus 2002, waarbij gedaagde aan haar met ingang van 6 mei 2002 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft toegekend naar een dagloon van 121,80.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 9 februari 2004, registratienummer 03/854, het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante is bij gemachtigde mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Maastricht, op bij aanvullend beroepschrift van 26 april 2004 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 6 mei 2004, ingediend.

Bij faxbericht van 21 maart 2005 is namens appellante een schrijven van haar voormalige werkgever in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2005, waar voor appellante is verschenen mr. Reijnders, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr. B. Drossaert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat hij mede op verzoek van de gemachtigde van appellante voorbijgaat aan het gestelde in het bij het in rubriek I vermelde faxbericht overgelegde schrijven van de voormalige werkgever van appellante.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde het dagloon waarnaar de aan appellante met ingang van 6 mei 2002 toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt berekend, op een juiste wijze heeft vastgesteld. In het bijzonder moet de vraag worden beantwoord of gedaagde daarbij in voldoende mate rekening heeft gehouden met de verdiensten van appellante voortvloeiende uit de door haar in de referteperiode gewerkte extra uren. Vast staat dat appellante, die een arbeidsovereenkomst had van 38 uur per week, in evenbedoelde periode een aanzienlijk aantal extra uren heeft gewerkt.

De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak tot een bevestigende beantwoording van de in dit geding aan de orde zijnde vraag gekomen. Daarbij heeft zij acht geslagen op een overzicht dat door de voormalige werkgever van appellante is verstrekt, de maandelijkse salarisoverzichten uit de referteperiode en de op haar verzoek door gedaagde bij brief van 19 januari 2004 gegeven uiteenzetting omtrent de wijze waarop met de overuren bij de vaststelling van het dagloon is rekening gehouden.

De Raad sluit zich hierbij aan. Naar zijn oordeel heeft gedaagde bij voormelde brief van 19 januari 2004 genoegzaam uiteengezet dat met inachtneming van het bijzonder dagloonbesluit inzake de meeberekening van overwerkverdiensten van de Sociale Verzekeringsraad van 18 augustus 1983 het dagloon van appellantes uitkering op een juiste wijze is vastgesteld. Het beroep dat appellante ter zitting van de Raad heeft gedaan op artikel 6:610b van het Burgerlijk Wetboek maakt dit niet anders. Deze wetsbepaling ziet op situaties waarin onduidelijkheid bestaat omtrent de omvang van de bij een arbeidsovereenkomst bedongen arbeid. Mede gelet op de salarisoverzichten waarop onder meer de extra uren die appellante heeft gewerkt, als overwerkuren zijn geadministreerd en dienovereenkomstig zijn uitbetaald, vermag de Raad niet in te zien waarom in haar geval enige onduidelijkheid heeft bestaan over de omvang van haar werkzaamheden. De Raad wijst er hierbij tevens op dat op de arbeidsrelatie van appellante de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Schoonmaakbedrijf van toepassing was.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en deswege de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x