Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT8493
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Premiedifferentiatie. Principieel geschil of voor de vaststelling van het gedifferentieerde premiepercentage WAO-uitkeringen die op voorschot verstrekt zijn, meegenomen mogen worden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3662 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 28 augustus 2002 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 15 december 2001, waarbij de door haar verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het jaar 2002 is vastgesteld op 6,06%.

De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 18 juni 2003, registratienummer 02/1387, het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van gedaagde en gelast dat het de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 11 september 2003 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 2 december 2004, waar partijen - appellant na voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad het volgende.

Een ex-werkneemster van gedaagde die bij haar op 15 september 1997 in dienst was getreden, heeft zich op 29 maart 1999, ziek gemeld. Aan deze ex-werkneemster heeft appellant met ingang van 27 maart 2000 een voorschot verleend als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de WAO. Bij brief van 3 januari 2001 heeft appellant gedaagde laten weten dat haar ex-werkneemster met ingang van 27 maart 2000 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat zij dan ook niet in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de WAO. Op 6 november 2001 heeft appellant de ex-werkneemster ervan in kennis gesteld dat de bij wege van voorschot betaalbaar gestelde uitkering met ingang van 27 maart 2000 wordt ingetrokken en dat de betaalde voorschotten zullen worden verrekend.

De aan de ex-werkneemster verrichte betalingen in 2000 heeft appellant in aanmerking genomen bij de berekening van de door gedaagde voor het premiejaar 2002 verschuldigde, gedifferentieerde premie. Bij zijn in rubriek I vermelde besluit van 28 augustus 2002 heeft appellant onder meer het volgende overwogen:
“Aangezien wij het kasstelsel hanteren en de verrekening niet in 2000 heeft plaatsgevonden, maar in 2001, kunnen wij de WAO-lasten niet meer over het premiejaar 2002 in mindering brengen. Wij zullen hiermee bij de berekening van het gedifferentieerde premiepercentage WAO voor 2003 rekening houden.”

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn opvatting dat bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor 2002 rekening moet worden gehouden met de in 2000 betaalde voorschotten. Daartoe heeft zij overwogen dat een voorschot op een WAO-uitkering voor de toepassing van de WAO niet is gelijkgesteld met een aan een werknemer betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering in de zin van het Besluit premiedifferentiatie WAO en dat zodanige gelijkstelling zich (ook) niet verdraagt met de strekking van de ter zake geldende wetgeving, aangezien met de intrekking van de toekenning van de voorschotten (zij het achteraf) is komen vast te staan dat de onderneming van gedaagde in 2000 geen uitkeringslasten heeft gegenereerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 28 augustus 2002 dan ook genomen in strijd met artikel 4, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO.
Appellant kan zich met dit oordeel niet verenigen. Daartoe heeft hij het volgende betoogd:
“Wij zijn van mening dat het hier gaat om een principieel geschil, namelijk of voor de vaststelling van het gedifferentieerde premiepercentage WAO-uitkeringen die op voorschot verstrekt zijn, meegenomen mogen worden.
Wij stellen ons op het standpunt dat bij de beoordeling of een WAO-uitkering in dat betreffende premiejaar betrokken dient te worden in de berekening van het gedifferentieerde premiepercentage WAO relevant is of er een arbeidsongeschiktheidsuitkering is uitbetaald die ten laste komt van de Arbeidsongeschiktheidskas bedoeld in artikel 76f van de WAO, conform artikel 4 lid 2 en 5 van het Besluit. De op voorschotbasis toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vallen hieronder, aangezien zij tevens ten laste komen van de Arbeidsongeschiktheidskas. Artikel 76f WAO geeft hierop geen uitzonderingsgrond.
In de Nota van Toelichting op het Besluit wordt op pagina 14 tevens expliciet aangegeven dat voor de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage de uitkeringslasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden bepaald op kasbasis. Alle lasten van de uitkeringen die in jaar t-2 tot uitbetaling kwamen, worden dus meegenomen in het individuele werkgeversrisicopercentage. Hiermee bestrijden wij het standpunt van de rechtbank dat het arbeidsongeschiktheidsrisico gedefinieerd wordt als de 'feitelijk' door een onderneming gegenereerde arbeidsongeschiktheidslasten. Het Besluit en de Nota van Toelichting op dit Besluit geeft nadere invulling en uitwerking aan de wet Pemba en legt ons inziens het begrip "feitelijk" uit als alle uitkeringen die tot uitbetaling kwamen.
Het is evenwel mogelijk dat een uitkering met terugwerkende kracht wordt aangepast. De aanpassingen kunnen dan (mede) betrekking hebben op voorgaande jaren.
Artikel 6 lid 1 van het Besluit biedt hiervoor een compensatieregeling. Hierover wordt op pagina 15 van de Nota van Toelichting op het Besluit aangegeven dat, indien een uitkering in een bepaald jaar met terugwerkende kracht wordt aangepast (herziening, toekenning dan wel intrekking) het totale bedrag van de aanpassing over alle relevante voorgaande jaren in mindering wordt gebracht dan wel opgeteld bij de toegerekende arbeidsongeschiktheidslasten van de desbetreffende werkgever. Toerekening vindt, conform het kasbasissysteem, plaats aan het jaar waarin de aanpassing is doorgevoerd.
Met de stelling van de rechtbank dat met de intrekking van de toekenning van de voorschotten (achteraf) is komen vast te staan dat de onderneming van gedaagde in 2000 geen uitkeringslasten heeft gegenereerd wordt er ons inziens volledig voorbij gegaan aan het bovenstaande.
Wij tekenen wel aan dat per 1 januari 2003 de systematiek voor kleine werkgevers is gewijzigd. In de beslissing van bezwaar van 28 augustus 2002 hebben wij aangevoerd dat verrekening van de intrekking van de WAO-uitkering meegenomen zou worden in de vaststelling van het gedifferentieerde premiepercentage WAO voor 2003.
Het Besluit is echter bij "Besluit van 19 november 2002 tot wijziging van het Besluit premiedifferentiatie WAO in verband met het afschaffen van de geďndividualiseerde opslag of korting voor kleine werkgevers", gepubliceerd in Staatsblad 2002, nr. 585, met ingang van 1 januari 2003 ingrijpend gewijzigd. Voor kleine werkgevers wordt vanaf die datum het rekenpercentage niet langer verhoogd met een opslag of verlaagd met een korting op basis van de uitkeringslasten met betrekking tot de binnen de onderneming opgetreden arbeidsongeschiktheidsgevallen. Als gevolg van die wijziging geldt voor alle kleine werkgevers met ingang van 1 januari 2003 een gelijk premiepercentage, het rekenpercentage (2,38% in 2003).
Aangezien voor kleine werknemers vanaf 1 januari 2003 het premiepercentage niet meer gebaseerd wordt op de uitkeringslasten die aan de werkgever worden toegerekend is een compensatie als in artikel 6, eerste lid, van het Besluit eveneens niet meer aan de orde voor kleine werkgevers. Artikel 6 is om die reden vanaf 1 januari 2003 nog slechts van toepassing op grote werkgevers.
Gedaagde is een kleine werkgever. De constatering in 2001 dat de betreffende WAO-uitkering in 2000 ten onrechte is betaald zou - bij ongewijzigde regelgeving - in 2003 tot een lager premiepercentage hebben geleid.
Doordat artikel 6 van het Besluit vanaf 1 januari 2003 niet langer van toepassing is op kleine werkgevers en in het Besluit premiedifferentiatie WAO tevens geen overgangsregeling is getroffen voor gevallen als het onderhavige, kan in het onderhavige geval - als ook voor andere kleine werkgevers in dezelfde situatie - geen compensatie in het premiepercentage voor 2003 meer worden gegeven.”

De Raad verenigt zich met dit betoog en maakt dat tot de zijne. De Raad voegt hieraan toe dat artikel 50 van de WAO de mogelijkheid biedt een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te betalen bij wege van voorschot, ook indien onzekerheid bestaat over het recht op uitkering. Onder de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende uitkeringen in de zin van artikel 4, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO vallen dan ook mede te begrijpen uitkeringen die bij wege van voorschot zijn uitbetaald. Dit is slechts anders indien een voorschot is betaald over een periode, waarin een aanspraak op uitkering krachtens de WAO in het geheel niet tot de mogelijkheden behoorde, zoals het geval was in de situatie waarop ’s Raads uitspraak van 16 december 2004, RSV 2005/62, ziet.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.

(get). R.C. Schoemaker.

(get). R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x