Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT8502
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schoonmaker van billboards. WAO-schatting. Is voldoende rekening gehouden met de ernst van de psychische klachten?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2989 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Gedaagde heeft appellant bij besluit van 14 januari 2000 meegedeeld dat hem in aansluiting op de wachttijd, met ingang van 1 december 1999, geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) wordt toegekend omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van de WAO.

Het daartegen door en namens gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij zijn besluit op bezwaar van 5 juli 2000.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 mei 2003, nummer AWB 02/919 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van de Raad van 29 maart 2005 waar appellant in persoon is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.M. Klijs, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant heeft zijn werkzaamheden als schoonmaker van onder meer billboards op 1 december 1998 gestaakt wegens psychische klachten. Aan het in rubriek I van deze uitspraak genoemde primaire besluit van 14 januari 2000 ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat appellant weliswaar beperkingen heeft op lichamelijk en psychisch vlak zoals vastgesteld door de verzekeringsarts en neergelegd in het belastbaarheidspatroon van 24 november 1999, maar dat hij met deze beperkingen in staat moet worden geacht tot het vervullen van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies zoals vermeld in zijn rapport van 5 januari 2000. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat, en heeft hij ter ondersteuning van dat standpunt de brief van de RIAGG Amsterdam Oost van 3 maart 2000 ingebracht. Bezwaarverzekeringsarts W.A. Faas heeft betrokkene gezien op de hoorzitting van 22 mei 2000 en informatie opgevraagd bij evengenoemde RIAGG. Bij schrijven van 14 juni 2000 hebben H. Mul en K. Chahid, psychiater respectievelijk maatschappelijk werker bij deze RIAGG gereageerd met een toelichting inzake de toen plaatsvindende individuele therapie. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens blijkens zijn rapport van 19 juni 2000 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de primair oordelende verzekeringsarts het oordeel met betrekking tot de arbeidsbeperkingen onvoldoende heeft onderbouwd. Tevens heeft hij geconcludeerd dat er geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen die het primaire oordeel met betrekking tot de arbeidsbeperkingen doen wijzigen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Ook in beroep heeft appellant aangevoerd dat de psychische klachten door gedaagde niet voldoende ernstig zijn ingeschat. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, waarbij appellant als eiser is weergegeven en gedaagde als verweerder, het volgende overwogen:
“De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts de (psychische) beperkingen van eiser heeft onderschat. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts, die beschikte over de verklaringen van 3 maart 2000 en 14 juni 2000 van het RIAGG waarbij eiser onder behandeling was, het oordeel van de verzekeringsarts heeft onderschreven en dat eiser geen nadere medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn beperkingen niet correct zouden zijn vastgesteld. Van een discrepantie tussen het oordeel van het RIAGG en de bezwaarverzekeringsarts, zoals eiser ter zitting heeft aangevoerd, is de rechtbank niet gebleken. Het RIAGG heeft zich immers niet uitgesproken over de (on)mogelijkheden van eiser om arbeid te verrichten, terwijl de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 19 juni 2000 heeft gesteld dat uit de van het RIAGG verkregen gegevens niet kan worden afgeleid dat eiser niet zou kunnen of mogen werken conform de aangegeven beperkingen. De rechtbank ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen”.
De rechtbank heeft tevens overwogen geen aanleiding te zien voor een onderzoek door een onafhankelijke deskundige omdat haar niet is gebleken van twijfel aan de medische grondslag van de schatting.

In hoger beroep heeft appellant wederom als zijn standpunt naar voren gebracht dat onvoldoende rekening is gehouden met de ernst van zijn psychische beperkingen en dat de rechtbank ten onrechte geen onafhankelijke deskundige heeft ingeschakeld. De Raad sluit zich geheel aan bij hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

Over de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad dat de arbeidsdeskundige H.G.P. van der Hoogte, gelet op zijn rapport van 5 januari 2000 en op de verwoordingen functiebelastingen, in elk geval voldoende voor appellant geschikte functies heeft geselecteerd, waaronder de functies pakketteerder (fb-code 9430), monteur koffiezetters (fb-code 8539 en functienummer 3697-0013-001) en ophanger/afnemer (fb-code 7289), welke geen voor appellant relevante markeringen vertonen en ook een verlies aan verdiencapaciteit opleveren van minder dan 15%.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x