Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT9110
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene na het einde van de wachttijd geschikt voor de maatmanarbeid?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3600 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 5 september 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellante, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 30 april 2001 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Gedaagde heeft het onder andere tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 24 mei 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank Assen heeft het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 24 mei 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 5 juni 2003, kenmerk 02/554 WAO, ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, namens appellante op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft van verweer gediend.

De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 20 april 2005 nadere stukken ingezonden en meegedeeld niet ter zitting van de Raad te zullen verschijnen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 mei 2005, waar appellante niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante was werkzaam als assistent behandelend beambte bij de vooradministratie WAO/AAW voor 25 uur per week, toen de rechtsvoorgangster van gedaagde bij besluit van 11 juli 1994 na een herbeoordeling op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen haar uitkeringen ingevolge onder andere de Wet op de arbeidsongeschikheidsverzekering (WAO), welke zij genoot vanwege eerdere uitval wegens schouderklachten rechts en welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 1 september 1994 introk omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%. Bij deze herbeoordeling werd appellante bij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek geschikt geacht voor een normale werkdag in geval van zeer licht schoudersparend werk en werd vastgesteld dat zij vooral beperkingen heeft ten aanzien van bovenhands werken, reiken en tillen. Aan dit besluit lag voorts een arbeidskundig rapport van 1 juni 1994 ten grondslag, waaruit naar voren komt dat archiefwerk wel tot evenbedoelde functie behoorde, maar dat appellante dit aspect van haar werk om reden van een organisatorische aanpassing niet hoefde te doen, zodat deze functie met bedoelde aanpassing voor haar voor een normale werkdag als passend werd beschouwd. Appellante was inmiddels werkzaam als administratief medewerkster op de afdeling ziektewet voor 25 uur per week bij gedaagde toen zij op 1 mei 2000 andermaal met schouderklachten uitviel. De verzekeringsarts H. Velda heeft appellante op 19 april 2001 onderzocht en heeft in zijn rapport van 20 april 2001 aangegeven dat vanwege een functiestoornis van de rechterschouder het werken bovenhands rechts uit den boze is en dat voorts reiken en tillen beperkt mogelijk is met als conclusie dat appellante aangewezen is op lichte schoudersparende werkzaamheden. Zijn bevindingen legde Velda vast in het handgeschreven FIS-formulier van eveneens 20 april 2001. Vervolgens achtte de arbeidsdeskundige J. Beekman blijkens zijn rapport van 31 augustus 2001 appellante geschikt voor haar eigen in deeltijd vervulde functie, waarna gedaagde het primaire besluit van 5 september 2001 nam. Tevens weigerde gedaagde op 6 september 2001 bij gebreke van nieuwe feiten en omstandigheden het hiervoor vermelde besluit van 11 juli 1994 te herzien.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde deze besluiten gehandhaafd.

In de beroepsprocedure heeft gedaagde rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen J.G. Grothe van 7 oktober en 18 november 2002 en J.F. van der Woude van 31 januari 2003 overgelegd. Uit deze rapporten komt naar voren dat in de functie van appellante met de benaming assistent claimbehandeling ZW bovenhands werken in de vorm van het uit de kast pakken van dossiers van de bovenste plank incidenteel voorkomt, dat in het verleden afspraken zijn gemaakt ter vermijding van het pakken of wegzetten van dossiers boven schouderhoogte en dat het blijkens telefonisch overleg met werkgever vanwege het tijdsbeslag niet altijd mogelijk is een dossier door de medewerkers van de vooradministratie uit de kast te laten halen, zodat de assistente dit soms zelf doet.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat het beroep van appellante zich niet richt tegen de weigering om terug te komen van het besluit van 11 juli 1994 en dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde op juiste gronden heeft geconcludeerd dat appellante bij het einde van de wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Met betrekking tot deze conclusie heeft de rechtbank vooropgesteld dat blijkens vaste jurisprudentie van de Raad, waarbij zij wees op de uitspraken van de Raad van 7 januari 1997 (RSV 1997,140) en 14 juni 2002 (USZ 2002,222), geschiktheid voor de maatmanarbeid eerst dan de vooronderstelling rechtvaardigt dat geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid, indien de betrokken maatmanarbeid in volle omvang - zowel wat betreft belasting als duur - kan worden verricht. Met het oog op deze conclusie heeft de rechtbank voorts als volgt overwogen:
"Uit de rapportage van 1 juni 1994 van de arbeidsdeskundige Bolt leidt de rechtbank af dat het archiefwerk (zwaarder in verband met gewicht en afstand) wel tot de functie van eiseres behoorde, maar dat zij dit niet meer hoefde te doen, omdat het door collega’s werd overgenomen. Vervolgens komt deze arbeidsdeskundige tot de conclusie dat het eigen werk van eiseres met enige, reeds gerealiseerde, organisatorische aanpassing bij het zwaardere werk (archiefwerk), als passend te beschouwen is. Het valt onder de term schoudersparend werk, waarbij normale werkdagen mogelijk zijn.

Gelet op deze met de werkgever gemaakte afspraken moet het er naar oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de maatmanarbeid van eiseres in ieder geval vanaf juni 1994 bestaat uit licht administratief werk zonder het taakonderdeel archiefwerk. Dat brengt met zich dat het bovenhandse tillen van dossiers niet (meer) tot de functie van eiseres behoort.

Dat eiseres feitelijk wel bovenhands tilt, omdat zij dit niet aan collega’s durft te vragen in verband met de drukke werkzaamheden, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, nu het bovenhands werken op een vrije keuze van eiseres berust."

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte vanuit ging dat het laatste door appellante verrichte werk voor haar uitval zonder archiefwerk werd verricht en dat de zogenaamde organisatorische aanpassingen in de praktijk niet werkten. Daarbij wees de gemachtigde op het in eerste aanleg reeds overgelegde verslag van het gesprek tussen de leidinggevende van appellante en haar echtgenoot op 15 april 2003, waarin de leidinggevende aangaf dat appellante formeel een beroep kon doen op collegae voor het lichten van een dossier van de bovenste plank maar dat het niet reëel is om te stellen dat dit in de praktijk ook gebeurt.

Gedaagde heeft in zijn verweerschrift er op gewezen dat de beperkingen van appellante voor het reiken en bovenhands werken voornamelijk voor de rechter arm en hand gelden en dat appellante met de linkerarm gedurende 2 uur per dag 5 minuten bovenhands kan werken.

De Raad heeft wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit, waartegen van de zijde van appellante in hoger beroep geen afzonderlijke bezwaren zijn aangevoerd, geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven.
De Raad stelt voorts vast dat de rechtbank onder verwijzing naar de door haar genoemde jurisprudentie op zichzelf een juiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de vraag of appellante in aansluiting op het bereiken van de wachttijd terecht niet in aanmerking werd gebracht voor een WAO-uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor het vervullen van haar eigen functie. De Raad is evenwel van oordeel dat de rechtbank het ten onrechte er voor heeft gehouden dat, gelet op de met de werkgever gemaakte afspraken, de maatmanarbeid van appellante in ieder geval vanaf juni 1994 bestaat uit licht administratief werk zonder het taakonderdeel archiefwerk. De Raad overweegt daartoe dat uit de stukken blijkt dat appellante bij haar uitval op 1 mei 2000 bij haar werkgever een andere functie vervulde dan in juni 1994 en dat, mede gelet op het verhandelde ter zitting, ten tijde van de datum in geding en anders dan in 1994 de noodzaak om - incidenteel ook boven schouderhoogte - dossiers uit een kast te pakken niet behoorde tot het taakonderdeel archiefwerk, maar voortvloeide uit de aard van de functie zelf. Verder kan er niet aan worden voorbijgezien dat, voorzover de in 1994 gemaakte afspraken met betrekking tot het verrichten van archiefwerk al betekenis konden hebben voor vervulling van de functie van appellante tijdens haar ziekmelding op 1 mei 2000, ter zitting is gebleken dat deze afspraken niet op schrift zijn gesteld dan wel op enigerlei wijze hebben geleid tot een wijziging van de functieomschrijving en blijkens de stukken, waaronder met name het in eerste aanleg reeds overgelegde verslag van een gesprek met een leidinggevende van appellante, in de praktijk ook niet werkten. Ten slotte kan er naar het oordeel van de Raad niet aan worden voorbij gezien dat, anders dan door gedaagde in het verweerschrift in hoger beroep is gesteld, ter zitting van de rechtbank op 29 april 2003 door de gemachtigde van appellante is aangegeven dat in de concrete werksituatie van appellante een dossier alleen met gebruikmaking van beide armen van de bovenste plank kon worden gepakt, hetgeen door de gemachtigde van gedaagde op die zitting in elk geval ten aanzien van een aantal dossiers is erkend.

Al het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellante, gelet op de voor haar vastgestelde medische beperkingen, ten tijde van de datum in geding haar maatmanfunctie niet ten volle kon vervullen, zodat in het licht van de vaste jurisprudentie van de Raad niet kan worden staande gehouden dat appellante ten tijde van de datum in geding geschikt was voor het vervullen van haar maatmanfunctie. Deze vaststelling brengt mede dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, dat het inleidende beroep gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit, voorzover dat betrekking heeft op het primaire besluit van 5 september 2001, ook moet worden vernietigd. Tevens ziet de Raad aanleiding te bepalen dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,=.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit, voorzover dat betrekking heeft op het primaire besluit van 5 september 2001;
Bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,= vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x