Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT9490
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vermoeidheidsklachten. Congenitale sferocytose. Weigering WAO-uitkering op de grond dat betrokkene minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4824 WAO en 04/937 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M.A. Hupkes, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 26 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, registratienummer AWB 02/911 WAO.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Vervolgens heeft gedaagde de Raad een nader besluit, gedateerd 22 december 2003, met bijlagen, doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 mei 2005, waar appellant met voorafgaand bericht in persoon noch bij gemachtigde is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellant is op 4 januari 1999 wegens vermoeidheidsklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker algemene dienst bij een uitgeverijgroep. Mede op grond van informatie afkomstig van de behandelend sector heeft de verzekeringsarts van gedaagde vastgesteld dat ten aanzien van appellant sprake is van congenitale sferocytose, een erfelijke vorm van bloedarmoede. Naar arbeidskundig oordeel is appellant, gegeven de voor hem door de verzekeringsarts van toepassing geachte beperkingen, niet langer geschikt voor zijn eigen werk, maar is hij nog wel in staat tot het verrichten van andere werkzaamheden, als behorende bij diverse op basis van raadpleging van het Functie Informatie Systeem geselecteerde functies. De aan die functies te ontlenen verdiencapaciteit is zodanig dat appellant geen voor de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) relevant verlies aan verdiencapaciteit lijdt.

In verband hiermee heeft gedaagde bij besluit van 28 december 1999 geweigerd om appellant in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 3 januari 2000, in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO, op de grond dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.

In bezwaar tegen dat besluit heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat hij als gevolg van evenvermelde aandoening lichamelijk en geestelijk slecht functioneert en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts heeft nadere informatie ingewonnen bij de behandelend internist dr. A.R. Jonkhoff, werkzaam op de polikliniek hematologie van het VU-ziekenhuis te Amsterdam, en mede op basis van de van die arts verkregen inlichtingen geconcludeerd dat met de in het belastbaarheidsprofiel opgenomen beperkingen ten aanzien van diverse lichamelijke verrichtingen in voldoende mate is rekening gehouden met de gestelde diagnose en het klinische beeld.

Bij besluit van 12 mei 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het tegen het besluit van 28 december 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medische advies dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. De rechtbank heeft in dat kader onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts bij zijn advies informatie van de behandelend sector met betrekking tot de hiervoor genoemde aandoening van appellant heeft betrokken en dat van de zijde van appellant geen gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat die medische advisering niet juist zou zijn. Wat betreft de door appellant ook gestelde psychische klachten heeft de rechtbank overwogen dat uit de door appellant overgelegde informatie van de psychotherapeut blijkt dat appellant zich eerst na de datum in geding, op 3 april 2000, voor behandeling heeft aangemeld.

De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kon evenwel geen genade vinden in de ogen van de rechtbank. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de functie kunststofbewerker buiten toepassing dient te blijven, nu deze functie in wisseldienst wordt verricht en niet is gebleken dat de maatman arbeid in wisseldienst verrichtte. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het betrekken van de volgende functie op de arbeidsmogelijkhedenlijst waarbij niet in wisseldienst wordt gewerkt, consequenties heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat aan de gestelde diagnose verdergaande beperkingen moeten worden toegerekend dan gedaagde en de rechtbank hebben willen aannemen en dat met inachtneming van de juist gewaardeerde beperkingen geen functies kunnen worden geduid die hij nog zou kunnen vervullen.

Gedaagde heeft op grond van de uitkomsten van nader arbeidskundig onderzoek door zijn bezwaararbeidsdeskundige - hierop neerkomende, dat ondanks het vervallen van de functie van kunststofbewerker voldoende passende functies resteren en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op basis van die resterende functies blijft uitkomen op minder dan 15% - in de uitspraak berust en heeft ter uitvoering daarvan het in rubriek I vermelde besluit van 22 december 2003 genomen, waarin het bezwaar tegen het besluit van 28 december 1999 andermaal ongegrond is verklaard.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat evenvermeld besluit van 22 december 2003, dat is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en waarmee blijkens hetgeen appellant heeft aangevoerd niet geheel aan zijn beroep is tegemoetgekomen, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en artikel 24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de onderhavige procedure dient te worden betrokken. Voorts overweegt de Raad dat appellant, gegeven de namens hem gevorderde schadevergoeding, belang heeft behouden bij zijn onderhavige hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

Dat hoger beroep richt zich, gelet op de namens appellant aangevoerde grieven, uitsluitend tegen de overwegingen en het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad kan zich in die overwegingen en dat oordeel volledig vinden. De Raad stelt vast dat van de zijde van appellant in hoger beroep niets is ingebracht dat aanleiding zou kunnen geven tot een andersluidend oordeel. Appellant heeft volstaan met een slechts summier geformuleerde herhaling van zijn eerder geuite medische grieven, zonder die grieven nader, aan de hand van objectief medische gegevens, te onderbouwen. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt in verband hiermee in aanmerking voor bevestiging.

Het beroep van appellant, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 december 2003, is ongegrond te achten. In dit verband ziet de Raad, gegeven het feit dat de namens appellant in hoger beroep aangevoerde grieven, als hiervoor vermeld, uitsluitend zijn gericht tegen de medische grondslag van de schatting, aanleiding om te volstaan met de vaststelling dat het besluit van 22 december 2003 op precies dezelfde medische uitgangspunten berust als het bestreden besluit. De Raad voegt daaraan nog slechts toe dat, in het licht van het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad dat geen aanknopingspunten bestaan om over die uitgangspunten anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan, er evenmin aanleiding bestaat om het ervoor te houden dat appellant ten onrechte in staat is geacht per de in geding zijnde datum de functies te vervullen zoals die thans aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep van appellant, voor zover dat geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 december 2003, ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R. H. van Roekel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x