Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT9547
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Proceskostenveroordeling.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/5940 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], Turkije, appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 30 april 2001 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat de hem toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 2 november 2001 wordt herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid 15 tot 25%.

Bij besluit op bezwaar van 6 september 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 30 april 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 14 oktober 2002, reg.nr. AWB 01/4402 WAO, het beroep tegen het besluit van 6 september 2001 ongegrond verklaard.

Namens appellant is mr. A. Kara, advocaat te Maastricht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Bij besluit van 19 maart 2003 heeft gedaagde te kennen gegeven dat de herziening in het besluit van 30 april 2001 op een onjuiste grondslag berust en is het bezwaar tegen dat besluit alsnog gegrond verklaard en de mate van arbeids- ongeschiktheid onveranderd vastgesteld op 25 tot 35%.

Bij schrijven van 29 maart 2005 heeft de gemachtigde van appellant de Raad verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.




II. MOTIVERING


Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

Bij zijn in rubriek I vermelde brief van 19 maart 2003 heeft gedaagde te kennen gegeven het bestreden besluit niet te handhaven en de uitkering van appellant ingevolge de WAO ook na 2 november 2001 voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De Raad stelt vast dat gedaagde met voornoemd besluit aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. De Raad zal appellants hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren, nu appellant, gezien het nadere besluit van 19 maart 2003, geen belang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van 6 september 2001, noch bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat door appellant geen schadevergoeding is gevorderd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 322,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van 109,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C.D.A. Bos.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x