Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT9551
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling berust op minder dan drie geschikt te achten functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2376 WAO en 2378 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 april 2003, nrs. 02/351 + 02/713 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft L.A.M. de Groot Heupner, werkzaam als adviseur sociale zekerheid bij de Juricon adviesgroep B.V. te Wijchen, een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 27 mei 2005, waar appellant niet is verschenen en waar voor gedaagde is verschenen L.A.M. de Groot Heupner, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde werkte als maatschappelijk werker voor gemiddeld 32 uur per week. Als gevolg van klachten voortkomend uit een auto-ongeval waarbij hij een zogeheten whiplash opliep, ontvangt hij sedert 22 november 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Wegens toegenomen klachten van psychische aard heeft appellant bij besluit van 28 december 1999 gedaagde per 11 januari 1999 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 30 maart 2000 is gedaagde onderzocht door verzekeringsarts P. van der Vloed in het kader van de eerstejaarsherbeoordeling. De voor gedaagde vastgestelde fysieke en psychische beperkingen zijn vastgelegd door Van der Vloed in het eveneens op 30 maart 2000 opgestelde belastbaarheidspatroon. In het handgeschreven FIS-formulier zijn de psychische beperkingen op de onderdelen 28A, D, H en J, welke achtereenvolgens zien op werken onder tijdsdruk, conflicterende functie-eisen, verantwoordelijkheid en afbreukrisico, en de mogelijkheid tot contact, nader omschreven. Aan de hand van deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige C.W.M. Limbeek een zestal functies geselecteerd, te weten graafmachinist, pakhuisknecht, studentendecaan, inpakker, huismeester en medewerker arbeidsomstandigheden. In het door Van Limbeek uitgebrachte rapport, d.d. 19 mei 2000, is vermeld dat op basis van de drie hoogstbeloonde van deze functies de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden gesteld op 7,7%, zodat intrekking van de uitkering aan de orde is. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 12 oktober 2000 de WAO-uitkering van gedaagde per 24 juli 2000 ingetrokken.

Naar aanleiding van het namens gedaagde tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij het besluit van 11 januari 2002 (hierna: besluit I) het bezwaar van gedaagde gegrond verklaard en de WAO-uitkering per 24 juli 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Hangende het beroep tegen besluit I heeft appellant bij besluit van 28 maart 2002 (hierna: besluit II), het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 12 oktober 2000 alsnog ongegrond verklaard en gedaagdes WAO-uitkering met ingang van 29 mei 2002 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 juli 2000 minder dan 15% bedraagt. Appellant heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat bij besluit I was uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen is de intrekking niet per 24 juli 2000, maar per 29 mei 2002 geŽffectueerd.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit I niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen besluit II gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hierbij heeft de rechtbank (onder meer) overwogen dat appellant, ook gelet op de in beroep gegeven toelichting van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 19 maart 2003, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies ondanks de overschrijdingen van de psychische belastbaarheid, voor gedaagde passend kunnen worden geacht. Aangezien appellant ter zitting van de rechtbank heeft aangegeven dat de functies van pakhuisknecht en inpakker in verband met wisselende diensten niet kunnen worden gehandhaafd, resteren er onvoldoende functies om de schatting op te baseren.

Appellant is, onder overlegging van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser, opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank. Appellant is van oordeel dat de overschrijdingen van de psychische belastbaarheid, in het bijzonder die van aspect 28H, door de bezwaarverzekeringsarts op afdoende wijze zijn gemotiveerd en dat gedaagde in staat kan worden geacht op 24 juli 2000 de voor hem geselecteerde, passend te achten functies te vervullen.
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat hij vanwege zijn psychische beperkingen de functies van studentendecaan, huismeester en medewerker arbeidsomstandigheden niet kan vervullen. In dit verband is namens gedaagde naar voren gebracht dat de bezwaarverzekeringsarts de vastgestelde belastbaarheid ontoelaatbaar heeft gerelativeerd.

In dit geding ligt de vraag ter beantwoording voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat besluit II in rechte geen stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat de bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling betrokken verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben aangenomen dat gedaagde medische beperkingen heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid. Mede gelet op de door partijen ingenomen standpunten, spitst het geschil zich met name toe op de vraag of appellant verdergaande psychische beperkingen had moeten aannemen en, in het verlengde hiervan, of de voor gedaagde geselecteerde functies voor hem uit medisch-psychisch oogpunt bezien, geschikt kunnen worden geacht.

Gelet op de beschikbare medische gegevens ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de ten aanzien van gedaagde vastgestelde psychische beperkingen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de (primaire) verzekeringsarts zijn zienswijze heeft gebaseerd op eigen onderzoek en op de in het dossier voorhanden zijnde medische gegevens. Namens gedaagde zijn ook geen medische gegevens overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid.

Uitgaande van de juistheid van de voor gedaagde vastgestelde psychische belastbaarheid, constateert de Raad dat de functies van studentendecaan, huismeester en medewerker arbeidsomstandigheden zogeheten markeringen laten zien met betrekking tot aspect 28.

In het FIS-formulier van 30 maart 2000 heeft verzekeringsarts Van der Vloed, door het plaatsen van een handgeschreven aantekening, bij aspect 28 (verantwoordelijkheid en afbreukrisico) aangegeven: "wat betreft werk met directe zorg voor met name mondige cliŽnten". De bezwaarverzekeringsarts Visser heeft in haar rapport van 19 maart 2003 bij de voorkomende markeringen van de in aanmerking genomen functies toegelicht waarom die overschrijdingen toelaatbaar zijn. Visser heeft daarbij in evengenoemd rapport met betrekking tot item 28H aangegeven dat die beperking aldus dient te worden verstaan dat betrokkene (alleen) beperkt is te achten ten aanzien van mondige cliŽnten in de zorgverlening, en niet ten aanzien van andere mondige personen. Weliswaar kan bij de functies van huismeester, studentendecaan en medewerker arbeidsomstandigheden sprake zijn van mondige personen, maar het betreft in deze functies geen mondelinge cliŽnten in de zorg, aldus Visser.

Met de rechtbank acht de Raad deze toelichting met betrekking tot aspect 28H - in wezen een wijziging van de waardering van de belastbaarheid - onvoldoende overtuigend. De Raad heeft al eerder als zijn oordeel te kennen gegeven - verwezen wordt naar zijn uitspraak van bijvoorbeeld 4 februari 2000, gepubliceerd in USZ 2000/100 - dat een wijziging of nuancering achteraf van het oorspronkelijke belastbaarheidspatroon als hier aan de orde slechts dan aanvaardbaar is indien deze van een inzichtelijke en overtuigende medische onderbouwing wordt voorzien. Die onderbouwing moet buiten twijfel stellen dat en waarom het aanvankelijke oordeel van de primaire verzekeringsarts te strikt was. Van een dergelijke onderbouwing kan doorgaans geen sprake zijn indien de bezwaarverzekeringsarts (achteraf) de vastgestelde belastbaarheid aanscherpt, zonder betrokkene zelf te onderzoeken, zoals de primaire verzekeringsarts wel heeft gedaan.

Ook de in hoger beroep door de bezwaarverzekeringsarts Visser gegeven (beknopte) toelichting - in wezen een herhaling van haar standpunt zoals verwoord in haar rapport van 19 maart 2003 - leidt de Raad niet tot het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor gedaagde passend zijn te achten.

Nu aldus ten aanzien van drie van de vier (resterende) aan de schatting ten grondslag gelegde functies is vastgesteld dat het standpunt van appellant dat gedaagde de aan die functies verbonden werkzaamheden moet kunnen verrichten niet afdoende is gemotiveerd, berust de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling reeds hierom op minder dan drie geschikt te achten functies, hetgeen in strijd is met artikel 4 van het hier van toepassing zijnde Schattingsbesluit.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op Ä 644,- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot Ä 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van Ä 414,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M. Gunter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x