Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AT9799
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herbeoordeling ingevolge de Wet TBA naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Verbetering van de gronden voor wat betreft de medische grondslag. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. De opdracht van de rechtbank voor het nemen van een nieuw besluit vervalt.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3430 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 12 november 1999 heeft appellant de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 januari 2000 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft appellant ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 14 september 2000, hierna: het bestreden besluit.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 14 april 2001, nummer WAO 00/2234 KRD, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft appellant opdracht gegeven opnieuw te beslissen op bezwaar en appellant veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten.

Appellant is van die uitspraak op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. A.P.T. Posthuma, advocaat te Rotterdam, op 3 december 2001 een verweerschrift ingediend en daarbij overgelegd een fax-bericht van de medisch adviseur J.H. van de Meer.

Desgevraagd heeft appellant nadere informatie verstrekt bij brief van 8 mei 2003 en een rapport van de bezwaar- verzekeringsarts J.C. Kokenberg van 8 mei 2003 ingebracht.

Het geding is behandeld op de zitting van 8 juli 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Posthuma, voornoemd.

De Raad heeft vervolgens besloten het onderzoek te heropenen en heeft dr. E.J.P. de Koning, internist-endocrinoloog, als deskundige benoemd, die de vraagstelling van de Raad met zijn rapport van 27 februari 2004 heeft beantwoord.

Daarna heeft de Raad H.J. Vroon, neuroloog, benoemd als deskundige. Deze deskundige heeft de vragen bij zijn rapport van 29 juni 2004 beantwoord.

Tot slot heeft de Raad dr. A.P.K. van Eekeren, psychiater, benoemd als deskundige. Deze deskundige heeft op 13 december 2004 rapport uitgebracht aan de Raad.

Op 7 januari 2005 heeft deskundige Van Eekeren de Raad nog aanvullende informatie toegezonden, alsmede een wijziging aangebracht op zijn eerder uitgebrachte advies.

Namens gedaagde is een reactie ingezonden naar aanleiding van de verschillende deskundigen rapporten.

Het geding is opnieuw behandeld op de zitting van de Raad van 8 februari 2005, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad overweegt als volgt.

In 1980 werd gedaagde voor zijn werk van matroos bij een havensleepdienst met dag- en nachtdiensten als gevolg van geconstateerde diabetes mellitus beperkt geacht in die zin dat hij alleen voor de dagdiensten geschikt werd geacht. Dit heeft echter niet geresulteerd in een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gedaagde heeft zijn werk als matroos met dagdiensten bij een havensleepdienst op 19 september 1988 moeten staken in verband met vorengenoemde ziekte. Met ingang van 20 september 1989 zijn aan gedaagde uitkeringen toegekend ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De beslissing van 15 maart 1992 waarbij de uitkeringen met ingang van 1 april 1992 werden herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, werd door de rechtbank Rotterdam op 6 april 1995 vernietigd, waarin appellant heeft berust.
Door wetswijziging is de uitkering ingevolge de AAW per 1 januari 1998 vervallen.
In het kader van een herbeoordeling ingevolge de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) heeft verzekeringsarts A.J. Colijn gedaagde gezien op het spreekuur. Blijkens zijn rapport van 25 januari 1999 acht de verzekeringsarts gedaagde met zijn beperkingen zoals opgenomen in het belastbaarheidspatroon d.d. 8 maart 1999 in staat tot het verrichten van arbeid. Deze verzekeringsarts acht gedaagde beperkt voor zware fysieke inspanning. Gedaagde komt volgens de verzekeringsarts in aanmerking voor regelmatige arbeid, zonder piekbelasting, terwijl hij beperkt wordt geacht op het item persoonlijk risico.
Arbeidsdeskundige J.W. Roosen heeft blijkens zijn rapport van 28 april 1999 de functies van verkooptelefonist, stikker, wikkelaar, monteur transformatoren en fotolaborant geselecteerd. Op aangeven van gedaagde dat zijn diabetes ontregeld was, werd gedaagde wederom gezien door verzekeringsarts A.J. Colijn. Hij heeft blijkens zijn rapport van 22 juni 1999 echter geen aanleiding gevonden het belastbaarheidspatroon te wijzigen. Wel gaf hij aan informatie te zullen opvragen bij de behandelende sector.
De arbeidsdeskundige L.F. Korporaal heeft op basis van de eerder geselecteerde functies de mate van arbeidsongeschiktheid berekend hetgeen heeft geresulteerd in een verlies aan verdiencapaciteit van 47,3 %.

Vervolgens heeft appellant het in rubriek I genoemde primaire besluit van 12 november 1999 genomen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft appellant, nadat een hoorzitting heeft plaatsgevonden en met inachtneming van het rapport van bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg van 12 september 2000, bij het bestreden besluit van 14 september 2000 ongegrond verklaard

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. De rechtbank achtte het in strijd met de zorgvuldigheid dat de verzekeringsarts noch de bezwaarverzekeringsarts zijn nagegaan of informatie uit de behandelende sector nieuwe gezichtspunten zou kunnen opleveren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de functie van verkooptelefonist niet in aanmerking kan worden genomen omdat er sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van gedaagde op aspect 28A van de verwoording functiebelasting. Als gevolg daarvan is naar het oordeel van de rechtbank de arbeid waartoe gedaagde op 10 januari 2000 in staat was te achten onvoldoende - namelijk aan de hand van minder dan vijf functies - omschreven. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat bij het maatmaninkomen ten onrechte de vakantietoeslag buiten beschouwing is gelaten en dat ten onrechte niet is onderzocht of al dan niet sprake is van een zogeheten medische afzakker. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat appellant binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het niet nodig was om informatie in te winnen bij de behandelende sector nu de (bezwaar)verzekeringsartsen er van op de hoogte waren dat gedaagde bekend was met een moeilijk instelbare diabetes, dat gedaagde de bloedsuikerwaarden zelf produceerde en gedaagde daarvoor geen contact meer had met de internist.
Verder is volgens appellant de functie van verkooptelefonist voor gedaagde geschikt te achten nu op het FIS-formulier is aangegeven bij werken onder tijdsdruk (aspect 28A): “enige mate mogelijk, geen pieken”. Daarom is de functie van verkooptelefonist geschikt. In die functie is geen sprake van pieken.
Daarnaast is appellant van mening dat er geen strikt getalscriterium gehanteerd dient te worden. Ten aanzien van het maatmaninkomen heeft appellant aangevoerd dat, ook als rekening wordt gehouden met de vakantietoeslag en met het gegeven dat sprake is van een medische afzakker, dit geen andere arbeidsongeschiktheidsklasse oplevert.

Gedaagde is van mening dat de behandelende sector geraadpleegd had dienen te worden en dat de functies dienen te voldoen aan getalscriteria. Gedaagde kan appellant niet volgen in de stelling dat de termen “piekbelasting” en “zware fysieke arbeid” aan elkaar zijn verbonden. Gedaagde heeft daarnaast naar voren gebracht dat hem geen binnenfunctie mag worden voorgehouden. Gedaagde is voorts van mening dat het maatmaninkomen geactualiseerd dient te worden tot december 1991 en dat vervolgens indexering naar 10 januari 2000 dient plaats te vinden.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad voorop dat volgens zijn vaste jurisprudentie een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelende sector is aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet waarvan een effect op de belastbaarheid van betrokkene te verwachten is of indien een betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt over diens beperkingen heeft. Daarvan is de Raad in dit geval niet gebleken.

In de namens gedaagde ingebrachte medische gegevens in hoger beroep heeft de Raad aanleiding gevonden een deskundige te benoemen. Deskundige dr. De Koning, internist-endocrinoloog, heeft in zijn rapport van 27 februari 2004 vermeld dat gezien de gegevens uit de consulten van 25 januari 1999 en van 22 juni 1999 van verzekeringsarts Colijn, additieve informatie van de internist niet tot verandering in de oordeelsvorming van de verzekeringsarts zou hebben geleid. Deze deskundige heeft zich voorts kunnen verenigen met de conclusie van verzekeringsarts Colijn dat gedaagde beperkt is ten aanzien van zware fysieke inspanning. De deskundige achtte evenwel aanvullend neurologisch en psychiatrisch onderzoek noodzakelijk.

Gedaagde is vervolgens onderzocht door deskundige Vroon, neuroloog. Deskundige Vroon heeft geconcludeerd dat in neurologische zin bij gedaagde sprake is van een diabetische polyneuropathie naast bij technisch onderzoek multiple kleine vasculaire afwijkingen in cerebro, zonder aanwijzingen voor een nu bestaand amnestisch syndroom of bestaande focaal neurologische restproblematiek. Deze deskundige acht het waarschijnlijk dat van die situatie ook op 10 januari 2000, de datum in geding, sprake was. In neurologische zin kan hij zich blijkens zijn rapport van 29 juni 2004 verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid.

De deskundige dr. Van Eekeren, psychiater, heeft vervolgens in zijn rapport van 13 december 2004 aangegeven dat hij geen als psychiatrische ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen heeft kunnen vaststellen. In zijn brief van 7 januari 2005 heeft hij de Raad echter verzocht om een nader neuropsychologisch onderzoek omdat hij van de huisarts heeft begrepen dat op een MRI-scan van neuroloog De Jong anatomische afwijkingen in de hersenen zijn geconstateerd. De Raad heeft een dergelijk aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht omdat uit het rapport van deskundige Vroon blijkt dat hij kennis heeft genomen van het onderzoek van neuroloog De Jong en van het feit dat daarbij anatomische afwijkingen zijn geconstateerd maar waarbij tevens naar voren komt dat op het moment van onderzoek door Vroon, noch op de datum in geding aanwijzingen zijn aangetroffen voor een bestaand amnestisch syndroom of bestaande focaal neurologische restproblematiek.

Gelet op het voorgaande heeft de Raad geen twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.

De Raad is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat (ook) de functie van verkooptelefonist geschikt is te achten voor gedaagde. Zoals aangegeven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 31 augustus 2001, heeft de verzekeringsarts op het door appellant bij brief van 8 mei 2003 overgelegde handgeschreven FIS-formulier van 25 januari 1999, bij aspect 28A (werken onder tijdsdruk) vermeld: “enige mate mogelijk, geen pieken”. Nu in de functie van verkooptelefonist sprake is van een normale acquisitiedruk oordeelt de Raad dat deze belasting binnen de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van gedaagde blijft. Ook de functie van verkooptelefonist kon gedaagde worden voorgehouden. Nu ook de overige functies geschikt zijn te achten moet worden geoordeeld dat de schatting op voldoende arbeidsmogelijkheden berust. Voorts is de Raad van oordeel dat het enkele feit dat gedaagde als matroos werkzaam is geweest niet met zich brengt dat de hem voorgehouden functies, welke overwegend binnenwerk betreffen, niet in billijkheid zouden kunnen worden opgedragen.

Met betrekking tot het maatmaninkomen merkt de Raad allereerst op dat, anders dan gedaagde meent, terecht geen actualisering van het maatmaninkomen naar december 1991 heeft plaatsgevonden. Volgens artikel 6, tweede lid, van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong van 24 december 1997, Stb. 1997, 801, wordt indien de mate van arbeidsongeschiktheid voor de eerste maal is vastgesteld op een datum gelegen voor 10 augustus 1994, bij een hernieuwde vaststelling of herziening van de uitkering na laatstgenoemde datum, geen rekening gehouden met de sedert de laatste vaststelling of herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid opgetreden wijzigen in het maatmaninkomen. Uit artikel 7 van het bedoelde Schattingsbesluit vloeit vervolgens voort dat het maatmaninkomen wordt geïndexeerd tot de datum in geding. Zoals geoordeeld in de uitspraak van 13 augustus 1999, gepubliceerd in USZ 1999/271 kan een in rechte vernietigd besluit niet dienst doen als een besluit waarbij in de zin van artikel 6 van het hiervoor genoemde Schattingsbesluit de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.

Appellant heeft met betrekking tot het maatmaninkomen met gegevens onderbouwd naar voren gebracht dat indien dat maatmaninkomen wordt gecorrigeerd door alsnog vakantietoeslag in aanmerking te nemen en door alsnog ervan uit te gaan dat gedaagde valt aan te merken als een medische afzakker, zulks niet in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse resulteert. Gedaagde heeft dit niet bestreden. Hoewel ook de Raad gelet op de thans voorhanden zijnde gegevens van oordeel is dat deze wijzigingen in het maatmaninkomen niet met zich meebrengen dat de arbeidsongeschiktheidsklasse waarin gedaagde is ingedeeld wijzigt, is de Raad niettemin van oordeel dat het in de uitspraak van de rechtbank neergelegde oordeel op dit punt juist is te achten.
Daarbij heeft de Raad laten wegen dat voor zover het gaat om het aanmerken van gedaagde als medische afzakker zich niet voldoende gegevens in het dossier bevonden om te kunnen berekenen of dit relevante consequenties zou hebben voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft bij de werkgever navraag moeten doen naar de hoogte van de garantietoeslag voor matrozen in continudienst. De rechtbank had derhalve, in tegenstelling tot hetgeen appellant heeft betoogd, niet kunnen berekenen wat het aanmerken van gedaagde als zogeheten medische afzakker zou betekenen voor de arbeidsongeschiktheidsklasse.

De uitspraak van de rechtbank komt voor bevestiging in aanmerking, zij het met verbetering van gronden voor wat betreft de medische grondslag en met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en de opdracht van de rechtbank voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar vervalt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 14,33 aan reiskosten van gedaagde in hoger beroep. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het uitgebrachte verslag van medisch adviseur Van de Meer is de Raad van oordeel dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat een declaratie van deze medisch adviseur ontbreekt. De kosten voor medische informatie van de huisarts van € 33,70 komen daarentegen wel voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten worden derhalve in totaal begroot op € 692,03.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven en de door de rechtbank gegeven opdracht is vervallen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 692,03, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) H.H.M. Ho.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x