Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0008
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de weigering om het WAO-dagloon te herzien terecht? Dienen de pensionkostentoeslag, de reiskostentoeslag voor vakantiereis naar het land van herkomst, de extra reisdagen en de extra vakantiedagen te worden meegenomen in het dagloon?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3929 WAO, 03/632 WAO, 03/633 WAO en 03/1014 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 24 juni 2002, kenmerk 02/118, van 30 december 2002, kenmerk 02/573, van 30 december 2002, kenmerk 02/574, en van 28 januari 2003, kenmerk 02/860.

Gedaagde heeft verweerschriften ingezonden.

Namens appellant is bij brieven van 11 september 2002, 1 april 2003 en 28 april 2005 een nadere toelichting gegeven op het hoger beroep.

De gedingen zijn, gevoegd met een aantal vergelijkbare zaken, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 juni 2005. Appellant is daar, zoals aangekondigd, niet verschenen. Namens gedaagde zijn verschenen F.P.L. Smeets en mr. L. Bosma, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.

Appellant werkte laatstelijk bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Bij besluit van 20 november 1980 heeft gedaagde met ingang van 19 november 1980 aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 128,39. In dit besluit heeft appellant berust.
Nadat de WAO-uitkering per 1 oktober 1981 was ingetrokken heeft gedaagde bij besluit van 22 november 1986 met ingang van 4 november 1986 aan appellant wederom een WAO-uitkering toegekend, waarbij het WAO-dagloon is vastgesteld op f 143,19. Ook in dit besluit heeft appellant berust.

Bij brief van 25 mei 2001 is namens appellant verzocht om het dagloon alsnog te verhogen, waarbij is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de pensionkostentoeslag, de reiskostenvergoeding voor een jaarlijkse vakantiereis naar het land van herkomst, zes extra reisdagen en extra vakantieverlof. Tevens is verzocht de wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling.

Bij besluit van 12 september 2001 heeft gedaagde geweigerd het WAO-dagloon te herzien, onder de overweging dat uit onderzoek niet is gebleken van eventuele toeslagen die meegeteld zouden moeten worden. In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de vergoeding voor reiskosten naar het buitenland en zes doorbetaalde reisdagen. Bij besluit op bezwaar van 13 december 2001 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 september 2001 gegrond verklaard en is het WAO-dagloon per 19 november 1980 vastgesteld op f 133,43. Daarbij heeft gedaagde rekening gehouden met een reiskostenvergoeding van f 1008,--. Ten aanzien van de zes extra reisdagen heeft gedaagde overwogen dat dit geen extra loon vormt.

Bij besluit van 25 januari 2002 heeft gedaagde het WAO-dagloon van appellant per 4 november 1986 vastgesteld op € 66,73. Daarbij is eveneens rekening gehouden met een reiskostenvergoeding. In bezwaar is aangevoerd dat bij de dagloonberekening ook rekening moet worden gehouden met zes extra reisdagen en extra vakantiedagen. Ook zou ten onrechte geen rekening zijn gehouden met bepaalde toeslagen, zoals tintoeslag, CAO-toeslag en vuil werk toeslag. Bij besluit op bezwaar van 29 april 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard. De zes reisdagen en eventuele extra vakantiedagen zijn geen extra loon, de eventuele vergoeding over deze dagen is verwerkt in het vaste loon. Ten aanzien van de andere door appellant in bezwaar genoemde toeslagen heeft gedaagde overwogen dat appellant geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij die toeslagen heeft ontvangen.

Bij besluit van 27 februari 2002 heeft gedaagde aan appellant over de nabetaling met betrekking tot de periode van 19 november 1980 tot 1 oktober 1981 een bedrag aan wettelijke rente van € 5,65 toegekend, waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 7 mei 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard, waaraan ten grondslag ligt de overweging dat als gevolg van de onrechtmatigheid van het besluit van 12 september 2001 wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 oktober 2001. Gedaagde heeft echter bestreden dat het besluit van 20 november 1980 onrechtmatig is.

Met betrekking tot de nabetaling over de periode van 4 november 1986 tot 1 februari 2002 heeft appellant bij besluit van 8 mei 2002 geweigerd wettelijke rente toe te kennen, waartegen appellant eveneens bezwaar heeft gemaakt. Bij besluit op bezwaar van 22 juli 2002 is dat bezwaar ongegrond verklaard. Gedaagde is van mening dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit op grond waarvan wettelijke rente verschuldigd zou zijn.

De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 13 december 2001 en 29 april 2002 ongegrond verklaard. De beroepen tegen de besluiten van 7 mei 2002 en 22 juli 2002 zijn door de rechtbank gegrond verklaard, waarna die besluiten zijn vernietigd door de rechtbank. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de besluiten van 20 november 1980 en 22 november 1986 als onrechtmatig moeten worden aangemerkt, als gevolg waarvan schuld en causaliteit zijn komen vast te staan. Gelet op artikel 182 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek dient het onrechtmatig handelen van gedaagde beoordeeld te worden naar de bepalingen van het oude Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 1286 BW wordt de wettelijke rente, behoudens bijzondere wettelijke voorschriften, berekend van de dag dat hij in rechte wordt gevorderd. Appellant heeft gedaagde op 25 mei 2001 aangemaand, zodat gedaagde vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is.

Appellant heeft tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep tegen het besluit van 13 december 2001 aangevoerd dat de zes extra vakantiedagen die hij genoot tot gevolg hadden dat er per daadwerkelijk gewerkte dag meer salaris werd uitbetaald dan aan de collega die geen zes extra vakantiedagen genoot.
Tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 29 april 2002 heeft appellant aangevoerd dat de reiskostenvergoeding van f 1008,-- waarmee gedaagde in 1980 rekening heeft gehouden, in 1986 door indexering een hoger bedrag dient te zijn. Ook is volgens appellant de vakantietoeslag over dat bedrag van belang bij de dagloonvaststelling. Voorts is volgens appellant ten onrechte geen rekening gehouden met de zogeheten CAO-toeslag.
Met betrekking tot de gegrondverklaring van de beroepen tegen de besluiten van 7 mei 2002 en 22 juli 2002 heeft appellant betoogd dat ook in 1992 foutieve beslissingen zijn genomen met betrekking tot het dagloon, vanaf dat jaar is geen aanzegging meer nodig zodat in ieder geval vanaf 1992 wettelijke rente vergoed dient te worden. Tevens heeft appellant zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel en in dat verband een lijst met namen overgelegd van ex-werknemers van [naam werkgever] waarbij wel vergoeding van wettelijke rente heeft plaatsgevonden vanaf een datum vóór 1992.

De Raad overweegt als volgt.

Aangezien appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen de besluiten van 20 november 1980 en 22 november 1986 zijn deze in rechte onaantastbaar geworden. Bij brieven van 25 mei 2001 heeft appellant aan gedaagde verzocht terug te komen van deze besluiten. Gedaagde heeft naar aanleiding van deze verzoeken nader onderzoek verricht, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat de daglonen met terugwerkende kracht zijn verhoogd.
Het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden is een bevoegdheid en de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt kan door de rechter slechts terughoudend worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarnaast brengt het feit dat wordt verzocht terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit met zich dat het aan appellant is aan te geven waarom de eerdere besluiten niet juist zouden zijn en van zijn stellingen - uiterlijk in de bezwaarfase - het nodige bewijs te leveren. Op na het besluit op bezwaar aangevoerde nieuwe stellingen kan geen acht worden geslagen, hiermee heeft gedaagde bij het nemen van het nemen van het besluit op bezwaar immers geen rekening kunnen houden.

Rekening houdend met voorgaande uitgangspunten stelt de Raad vast dat hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de vakantietoeslag over de reiskostenvergoeding door de Raad niet in zijn overwegingen kan worden meegenomen.
Hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de zes extra reisdagen wordt door de Raad ten volle onderschreven. Het door een werknemer verdiende vaste maandloon ondergaat geen wijziging door het feit dat hij zes dagen per jaar minder hoeft te werken dan sommige collega’s. Het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel wordt daardoor niet groter.
Met betrekking tot de reiskostenvergoeding stelt de Raad allereerst vast dat appellant geen bewijs heeft geleverd dat hij die vergoeding ten tijde hier van belang daadwerkelijk ontvangen heeft. Desondanks gaat gedaagde ervan uit dat minimaal f 1008,-- aan reiskostenvergoeding werd ontvangen. Van een dergelijk standpunt kan zeker niet worden gezegd dat gedaagde daartoe in redelijkheid niet kon komen.
Ook met betrekking tot de CAO-toeslag stelt de Raad vast dat appellant niet het benodigde bewijs heeft geleverd dat hij die toeslag ten tijde hier van belang daadwerkelijk heeft ontvangen.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de besluiten van 13 december 2001 en 29 april 2002 de aan te leggen toets kunnen doorstaan.

Met betrekking tot de vergoeding van de wettelijke rente onderschrijft de Raad ook het standpunt van de rechtbank. De dagloonvaststellingen hebben plaatsgevonden in 1980 en 1986. De besluiten die zijn afgegeven vanaf 1 januari 1992 hebben slechts betrekking op de indexering van het in 1986 vastgestelde dagloon, wat (de hoogte van) de dagloonelementen betreft zijn deze besluiten te beschouwen als een vervolg op het onrechtmatig gebleken besluit van 22 november 1986.

Wat het beroep op het gelijkheidsbeginsel betreft heeft gedaagde ter zitting van de Raad toegegeven dat de toekenning van rente aan de personen die voorkomen op de door appellant overgelegde lijst berust op fouten zonder dat er bewust beleid is gevoerd om wettelijke rente vanaf een datum vóór 1992 te vergoeden. De Raad heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van gedaagde. Gelet ook op het feit dat niet is komen vast te staan dat in meer dan een relatief beperkt aantal gevallen wettelijke rente is vergoed vanaf een datum vóór 1992, acht de Raad gedaagde niet gehouden ook in appellants geval wettelijke rente te vergoeden vanaf een eerdere datum dan de aanzegging op 25 mei 2001.

Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen niet kunnen slagen en dat de aangevallen uitspraken - voor zover aangevochten - dienen te worden bevestigd.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x