Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0033
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 19-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Zijn er voldoende passende functies geduid? Is er in de geduide functies sprake van een opleidingseis waaraan betrokkene niet kan voldoen? Geen diploma-eis, maar niveaueis.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/4219 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2003, registratienummer WAO 02/2899-ZWI.

Namens gedaagde heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 januari 2004 heeft appellant zijn standpunt nader onderbouwd.

Gedaagdes gemachtigde heeft daarop gereageerd bij schrijven van 29 januari 2004.

Naar aanleiding van die reactie heeft appellant een brief ingezonden van 12 februari 2004, met bijlage.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 juni 2005, waar voor appellant is verschenen mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uwv, en waar namens gedaagde is verschenen mr. Desloover, voornoemd.




II. MOTIVERING


Gedaagde is in 1988 wegens klachten van oorsuizen, duizeligheid en hartkloppingen uitgevallen voor zijn werkzaamheden als steigerbouwer, welke werkzaamheden hij sinds zijn komst naar Nederland vanaf 1970 heeft verricht. Als rechtsvoorganger van appellant heeft de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid in verband hiermee aan gedaagde met ingang van 23 augustus 1989 een uitkering toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 16 november 2001 heeft appellant de WAO-uitkering van gedaagde met ingang van 24 december 2001 herzien naar 25 tot 35%. Bij besluit van 25 september 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het tegen het besluit van 16 november 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft met betrekking tot de medische grondslag van bestreden besluit geen redenen gezien om de bevindingen van appellants verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts - die ook informatie bij de behandelend KNO-arts en de huisarts van gedaagde heeft ingewonnen - voor onjuist te houden. De rechtbank heeft in dit verband onder meer overwogen dat namens gedaagde geen informatie van medische aard is overgelegd die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand per 24 december 2001 en op de beperkingen die hieruit voortvloeien voor het verrichten van arbeid.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank, na te hebben vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige van appellant de functie van archiefemployé heeft laten vervallen vanwege het gevraagde opleidingsniveau, overwogen dat ook de functies van samensteller metaalproducten en fotolaborant dienen te vervallen, aangezien de actualiseringsdatum van die beide functies meer dan anderhalf jaar voor de datum in geding is gelegen. Hiervan uitgaande, resteert nog een drietal functies, welke evenwel volgens de rechtbank onvoldoende zijn om de onderhavige schatting op te baseren. Immers in casu is, zo overwoog de rechtbank voorts, het arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing zoals dat heeft gegolden tussen 1987 en 1 augustus 1993, hetgeen impliceert dat de resterende verdiencapaciteit bepaald dient te worden door de hoogste mediane loonwaarde van (tenminste) vijf geduide functies. De rechtbank heeft om die reden het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Appellant heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de rechtbank de jurisprudentie van de Raad heeft miskend - onder meer de uitspraken, gepubliceerd in RSV 1992/48 en RSV 1997/25 - waarin gesteld is dat het aantal van vijf functies niet absoluut is. Bepalend is volgens die jurisprudentie of een gegeven schatting rust op voldoende arbeidsmogelijkheden. In de onderhavige zaak is appellant de mening toegedaan dat ondanks het (ook) wegvallen van de door de rechtbank bedoelde twee functies, voldoende arbeidsmogelijkheden resteren om de schatting op te baseren.

Naderhand is appellant nog bij brief van 26 januari 2004, met bijlagen, met een aanvullende benadering gekomen. In die brief heeft appellant meegedeeld inmiddels te hebben onderzocht of de twee functies waarom het gaat - de samensteller metaalproducten en de fotolaborant - ook met een meer recente actualiseringsdatum aanwijsbaar zijn, hetgeen het geval blijkt te zijn. De schatting kan, aldus appellant, gebaseerd blijven op vijf functies.

Namens gedaagde is naar voren gebracht dat gedaagde zich kan vinden in de door de rechtbank gebezigde vernietigingsgrond, gelet op de uitvoeringspraktijk van appellant om in de hier aan de orde zijnde periode en onder de vigeur van het zogeheten middencriterium, zoals ook in de onderhavige zaak aan de orde, functieduidingen te doen plaatsvinden aan de hand van het zogeheten 5x10-criterium (5 functies met elk ten minste 10 arbeidsplaatsen). Voorts heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat de drie resterende functies in arbeidskundig opzicht niet voor hem passend zijn, gelet op het gevraagde opleidingsniveau en de vereiste vaardigheid in de Nederlandse taal, met name wat betreft lezen en schrijven. Indien de functie van archiefemployé ongeschikt is vanwege het opleidingsniveau - zoals appellant zelf nader heeft gesteld - dan dienen volgens gedaagde ook de overige functies waarin een VBO-niveau wordt gevraagd te vervallen.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij, nu de gemachtigde van gedaagde ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat gedaagde zijn - door de rechtbank verworpen - medische grieven op zich wenst te handhaven maar hij daarvoor geen nadere medische onderbouwing heeft, aanleiding ziet om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit te volstaan met een onderschrijving van hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak dienaangaande heeft overwogen en geoordeeld.

Voorts overweegt de Raad dat het hoger beroep van appellant slaagt. In meerdere uitspraken, waaronder de door appellant genoemde uitspraak, gepubliceerd in RSV 1992/48, heeft de Raad blijk gegeven van zijn oordeel dat voor de toepassing van een strikt getalscriterium als neergelegd in de circulaire van 16 april 1987, nr. 783, van de toenmalige Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV), onvoldoende grond is. Pas in een individueel geval, en aan de hand van alle gebleken bijzonderheden, kan komen vast te staan of een gegeven schatting rust op voldoende resterende arbeidsmogelijkheden.

Naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde van gedaagde op dit punt ter zitting nog naar voren heeft gebracht, voegt de Raad daaraan nog toe dat hij in zijn rechtspraak, onder meer ook in de hiervoor genoemde uitspraak, tevens heeft overwogen dat gebleken is dat appellant, althans de rechtsvoorganger van appellant, zich bij het nemen van beslissingen niet volstrekt aan de aanbevelingen van de FBV op dit punt gebonden achtte en dat van een consequente eerbiediging daarvan in andere gevallen dan het onderhavige geval dan ook niet kon worden gesproken.

Ten onrechte heeft de rechtbank derhalve geoordeeld dat de resterende verdiencapaciteit van gedaagde bepaald dient te worden door de hoogste mediane loonwaarde van (tenminste) vijf geduide functies.

Nu de Raad zich voorts ook met het standpunt van appellant kan verenigen dat de drie functies die resteren na het vervallen van de twee door de rechtbank genoemde functies een toereikende grondslag vormen voor de onderhavige schatting - het gaat om functies met respectievelijk 16, 13 en 10 arbeidsplaatsen - concludeert de Raad dat het hoger beroep van appellant slaagt op de daartoe primair aangevoerde grond. De als subsidiaire grond naderhand naar voren gebrachte stelling dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat de beide door de rechtbank gewraakte functies ook met een meer recente actualiseringsdatum voorkomen en dat derhalve de schatting onverminderd ook kan worden gegrond op vijf functies, behoeft mitsdien geen bespreking meer.

Met betrekking tot de houdbaarheid in rechte van het bestreden besluit voor het overige, zulks met name in het licht van hetgeen van de zijde van gedaagde nog naar voren is gebracht, overweegt de Raad dat de drie resterende functies ook in arbeidskundig opzicht terecht als voor gedaagde passend zijn aangemerkt. Appellants bezwaararbeidsdeskundige heeft de functie van archiefemployé laten vervallen in verband met de daaraan verbonden niveaueis van MAVO/VBO. Twee van de drie resterende functies kennen helemaal geen opleidingseis, terwijl de functie van samensteller uitsluitend een VBO-niveau vraagt. Niet valt in te zien dat gedaagde aan die eis, welke geen diploma-eis betreft maar louter een niveaueis, niet zou kunnen voldoen.

Wat betreft taalvaardigheid geldt eveneens dat in twee van de functies nauwelijks eisen ter zake worden gesteld, met name niet wat betreft de aspecten lezen en schrijven, nu blijkens de verkorte functieomschrijvingen de instructies mondeling worden gegeven. Met betrekking tot de functie van samensteller worden weliswaar enige eisen op genoemde aspecten gesteld, maar de Raad acht het aannemelijk dat die eisen een beperkt karakter hebben. Gelet hierop gaat de Raad ervan uit dat gedaagde, ook in aanmerking genomen dat hij al vele jaren, vanaf 1970, in Nederland woont en heeft gewerkt aan die beperkte eisen moet kunnen voldoen.

Nu de Raad in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook overigens geen gronden heeft om het bestreden besluit rechtens niet juist te achten, komt de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen dat besluit gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd, voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2005.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.H.A. Jenniskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x