Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0202
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Is de uitspraak van de rechtbank op juiste wijze tot stand gekomen? Kon het geding buiten de zitting worden afgedaan? Strijd met artikel 8:57 van de Awb. Nieuwe gedingstukken zijn aan het procesdossier toegevoegd.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1055 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

Aan het geding heeft voorts deelgenomen:

[naam werkgever], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna te noemen: werkgever.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. W.J. Boer, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Utrecht tussen partijen gegeven uitspraak van 24 januari 2003, kenmerk SBR 01/708, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Desgevraagd heeft de werkgever te kennen gegeven als partij aan het geding in hoger beroep deel te willen nemen. Van de hem ingevolge artikel 8:43, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geboden mogelijkheid om een schriftelijke uiteenzetting te geven heeft de werkgever geen gebruik gemaakt.

Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Boer, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.H.J. van Kuilenburg, werkzaam bij het Uwv. Voorts is mr. G. Noorlandt namens de werkgever ter zitting verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant is laatstelijk als relatiebeheerder bedrijven bij de [naam werkgever] te [vestigingsplaats] werkzaam geweest. Op 16 februari 1998 heeft hij zijn werkzaamheden vanwege vermoeidheidsklachten gestaakt. Aan appellant is met ingang van 15 februari 1999 uit zorgvuldigheidsoverwegingen een volledige uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Vervolgens is de WAO-uitkering bij besluit van 26 april 1999 met ingang van 10 juni 1999 ingetrokken. Aan deze besluitvorming ligt de conclusie van gedaagdes verzekeringsarts A.E.M.M. Cosemans ten grondslag dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek nu noch een lichamelijke noch een psychologische verklaring gevonden is voor de moeheidsklachten van appellant. De bezwaarverzekeringsarts M.E. Van Liere is eveneens tot het oordeel gekomen dat er geen sprake is van een stoornis in het lichamelijk dan wel geestelijk functioneren van appellant en derhalve niet sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Daarop is bij besluit van 2 september 1999 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 april 1999 ongegrond verklaard.

Het door appellant tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 5 december 2000 (kenmerk SBR 99/1900) gegrond verklaard en dat besluit is vernietigd wegens een niet deugdelijke medische motivering. Naar het oordeel van de rechtbank was door gedaagdes verzekeringsartsen niet gehandeld overeenkomstig de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (mededeling van 19 september 1996, nr. M 96 122, van het voormalige Tica, door gedaagde vanaf 1 maart 1997 overgenomen, hierna: Maoc-richtlijn) nu miskend is dat - in bijzondere situaties - ook klachten zonder duidelijke oorzaak kunnen leiden tot de conclusie dat beperkingen aanwezig zijn te achten als gevolg van ziekte of gebrek in de zin van de WAO en de beschikbare medische informatie de vraag oproept of zich hier niet zo’n bijzondere situatie voordoet.

Gedaagde heeft in deze uitspraak berust.
Aan de thans aanhangige procedure ligt ten grondslag het besluit van 12 maart 2001 waarbij gedaagde gelet op het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts M.E. van Liere als neergelegd in haar rapportage van 22 februari 2001 appellants bezwaar tegen het besluit van 26 april 1999 opnieuw ongegrond heeft verklaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft na een nadere beschouwing met inachtneming van de Maoc-richtlijn geconcludeerd dat er bij appellant geen zodanig consistent geheel is van stoornissen, beperkingen en handicaps dat deze geacht kunnen worden ongeschiktheid als gevolg van ziekte op te leveren. Appellant was volgens de bezwaarverzekeringsarts op de datum in geding dan ook in staat zijn eigen werk te verrichten.

In het kader van de behandeling van het bij haar ingestelde beroep heeft de rechtbank de psychiater M.H. Oeberius Kapteijn als deskundige benoemd.
In zijn rapport van 18 juli 2002 heeft deze deskundige als zijn oordeel te kennen gegeven dat appellant ten gevolge van als ziekte of gebrek aan te merken afwijkingen in zijn gezondheidstoestand, bestaande in een ernstige ongedifferentieerde somatoforme stoornis, een dissociatieve stoornis NAO alsmede trekken van een cluster C persoonlijkheid, op de datum in geding beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid vanwege een gebrekkige stresstolerantie.

De rechtbank heeft de hierboven vermelde conclusie van de door haar als deskundige geraadpleegde psychiater Oeberius Kapteijn niet gevolgd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat indien de door Oeberius Kapteijn getrokken conclusie zou worden overgenomen een onvoldoende geobjectiveerde en derhalve onjuiste uitleg zou worden gegeven aan het begrip arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. De rechtbank is van oordeel dat de deskundige zijn rapport onvoldoende heeft onderbouwd om zijn conclusies als medisch objectiveerbaar te kunnen aannemen.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde terecht heeft gesteld dat niet sprake is van een uitzonderingssituatie als omschreven in paragraaf 4.6 van de Maoc-richtlijn waarin ondanks het ontbreken van lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten desalniettemin arbeidsongeschiktheid kan worden aangenomen.
De rechtbank is aldus tot de conclusie gekomen dat appellant op de datum in geding niet op grond van ziekte of gebrek ongeschikt kan worden geacht voor zijn eigen werkzaamheden.

Appellant heeft in hoger beroep - in essentie en beknopt weergegeven - aangevoerd dat sprake is van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek in de zin van de WAO. Nagenoeg alle betrokken artsen zijn op basis van regulier aanvaard objectief medisch onderzoek tot de conclusie ME/CVS respectievelijk de vergelijkbare diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis gekomen. Deze diagnoses gaan gepaard met een consistent geheel van stoornissen, beperkingen en handicaps en brengen dan ook beperkingen tot het verrichten van arbeid met zich.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding te onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is gekomen.
De rechtbank heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. In artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aan de rechtbank de bevoegdheid hiertoe verleend indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven.
Bij schrijven van 13 november 2002 heeft appellant zodanige toestemming verleend. Van de zijde van gedaagde is nadien een schrijven van 5 december 2002 (met bijlage) aan de rechtbank toegezonden onder mededeling dat de eerder door gedaagde gegeven toestemming om een nieuw onderzoek ter zitting achterwege te laten blijft gehandhaafd. Vervolgens heeft de rechtbank de behandeling van het beroep ter nadere zitting achterwege gelaten, en uitspraak gedaan.

De Raad is van oordeel dat vorenomschreven behandeling van het geding in eerste aanleg in strijd is met artikel 8:57 van de Awb. De Raad overweegt terzake, naar hij al eerder van zijn opvatting heeft doen blijken, dat in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, het de rechter niet vrij staat om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde gedingstukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank, nadat van de zijde van gedaagde nadere stukken waren ingezonden, appellant niet opnieuw om toestemming in de zin van meergenoemd artikel verzocht, terwijl appellant een dergelijke toestemming ook anderszins niet heeft gegeven.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in strijd met artikel 8:57 van de Awb, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Derhalve komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.

Ten aanzien van de vraag of gedaagdes besluit van 12 maart 2001 in rechte stand kan houden, overweegt de Raad het volgende.

De door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater M.H. Oeberius Kapteijn heeft in zijn rapportage van 18 juli 2002 met toepassing van de DSM IV classificatie geconcludeerd dat bij appellant op de datum in geding sprake is van een combinatie van een ernstige ongedifferentieerde somatoforme stoornis, een dissociatieve stoornis NAO alsmede trekken van een cluster C persoonlijkheid, welke afwijkingen in de gezondheidstoestand als ziekte of gebrek zijn aan te merken. De deskundige is van oordeel dat deze stoornissen een gebrekkige stresstolerantie met zich brengen en aldus leiden tot een middelmatige beperking van de psychische belastbaarheid op de aspecten 28A/B/D/E alsmede appellant aangewezen doen zijn op een stressarme werkomgeving.

De Raad overweegt dat zijn vaste jurisprudentie inhoudt dat het oordeel van de door de rechter ingeschakelde onafhankelijke en onpartijdige medisch deskundige in beginsel dient te worden gevolgd. Naar het oordeel van de Raad doen zich in dit geval geen feiten of omstandigheden voor die voldoende grond opleveren om van deze lijn af te wijken. Daarbij wijst de Raad erop dat de deskundige, naar uit het door hem opgestelde rapport blijkt, een eigen onderzoek heeft ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant, kennis heeft genomen van het uitvoerige medische dossier dat omtrent appellant voorhanden is, en dat de bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze zijn gemotiveerd. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de conclusies van de deskundige niet louter zijn gebaseerd op de door appellant aangegeven klachten, maar door de deskundige in zijn rapportage afdoende medisch zijn geobjectiveerd. Het enkele feit dat de aard van de ziekte of het gebrek niet eenduidig kan worden aangewezen, staat aan deze conclusie niet in de weg.

Nu gedaagde ten onrechte aan het besluit van 12 maart 2001 het oordeel ten grondslag heeft gelegd dat er bij appellant in het geheel geen sprake is van objectiveerbare beperkingen en hij dientengevolge geschikt is voor zijn eigen werk, kan dit besluit niet in rechte stand houden.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. De kosten in beroep worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand en € 365,54 voor het door de medisch adviseur L.J. Haak uitgebrachte rapport. De kosten in hoger beroep worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 10,30 aan reiskosten. Het totaalbedrag van de te vergoeden proceskosten bedraagt derhalve € 1.824,84.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 maart 2001 alsnog gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.824,84, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 (€ 27,23 + € 82,- ) dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x