Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0452
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WAO-uitkering. Er is geen sprake van toegenomen medische beperkingen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1003 WAO en 03/2286 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 16 mei 2002 (besluit I) is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2002 waarbij de aan hem ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met ingang van 29 maart 2001 is herzien en nader is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 28 januari 2003, nr. 02/682 WAO, het door appellant tegen besluit I ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op bij beroepschrift van 27 februari 2003 aangevoerde gronden, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 22 april 2003.

Bij brief van 2 mei 2003 zijn namens appellant de beroepsgronden nader aangevuld.

Bij brief van 6 mei 2003 heeft gedaagde een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet van 23 april 2003 overgelegd alsmede een ten aanzien van appellant genomen besluit van 6 mei 2003 (besluit II) ingezonden, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2002 alsnog gegrond is verklaard en diens uitkering ingevolge de WAO met ingang van 29 maart 2001 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Van de zijde van appellant is bij brief van 13 juni 2003 op dit nadere besluit van 6 mei 2003 gereageerd.

Namens appellant zijn nadien diverse medische rapporten in het geding gebracht waarop van de zijde van gedaagde een reactie is gegeven.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 juni 2005, waar partijen - zoals tevoren was bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant is laatstelijk tot 25 oktober 1999 werkzaam geweest als traiteur. Op 11 november 1999 heeft hij zich vanuit de WW ziek gemeld wegens urinewegklachten, nadien ontstond tevens een klapvoet rechts op basis van een peroneus neuropathie. Vanaf 9 november 2000 heeft gedaagde aan appellant een uitkering ingevolge de WAO verleend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Uitgaande van per 1 maart 2001 toegenomen beperkingen ten gevolge van de klapvoet rechts is appellant geschikt bevonden voor gangbare arbeid in verband waarmee zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 maart 2001, zijnde einde wachttijd ingevolge het bepaalde in artikel 39a van de WAO, is vastgesteld op 25 tot 35% en de WAO-uitkering van appellant bij het bij besluit I gehandhaafde besluit van 17 januari 2002 is herzien naar deze arbeidsongeschiktheidsklasse.

Een door de bezwaararbeidsdeskundige in hoger beroep uitgevoerde herberekening van de mediane loonwaarde van de aan de schatting ten grondslag liggende functies levert bij vergelijking met het maatmaninkomen een verlies aan verdiencapaciteit op van ruim 36%. In verband met deze hernieuwde berekening van het verlies aan verdienvermogen en onder handhaving van de medische en arbeidskundige grondslag voor het overige heeft gedaagde besluit I vervangen door het nadere besluit II, waarbij appellant alsnog per 29 maart 2001 is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat hij zodanige beperkingen in zijn lichamelijke en psychische belastbaarheid ondervindt, dat hij geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft per 29 maart 2001. Ter onderbouwing van het hoger beroep zijn medische gegevens van de neuroloog B.J. Berns en van de chirurg F.J.G. Van Himbeeck overgelegd.

De Raad overweegt het volgende.

In verband met de hiervoor aangeduide verbetering van de arbeidskundige grondslag heeft gedaagde besluit I vervangen door besluit II.
Aangezien besluit II niet geheel aan appellants beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit.

Nu besluit I als ingetrokken is te beschouwen en appellant niet heeft verzocht om vergoeding van de (rente)schade, veroorzaakt door dat besluit, heeft appellant niet langer belang bij beoordeling van dit besluit zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zulks onder veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten en van het door haar betaalde griffierecht.

Het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten wordt vastgesteld op 322,- ter zake van in beroep verleende rechtsbijstand en 322,- ter zake van in hoger beroep verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal 644,-.

De namens appellant in hoger beroep naar voren gebrachte grieven komen aan de orde bij de toetsing van besluit II.
Ten aanzien van dit besluit overweegt de Raad als volgt.

Naar het oordeel van de Raad is er geen aanleiding om te veronderstellen dat gedaagde ten aanzien van appellant niet van de juiste medische beperkingen is uitgegaan op de hier in geding zijnde datum 29 maart 2001.
De verzekeringsarts heeft gemotiveerd aangegeven dat ingaande 1 maart 2001, en geldend per einde wachttijd van 29 maart 2001, uitgegaan dient te worden van toegenomen beperkingen ten gevolge van de sedert maart 2000 bestaande klapvoet rechts en de beperkingen voortvloeiend uit de urologische problematiek onveranderd zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich, hierbij rekening houdende met de van de zijde van appellant ingebrachte informatie vanuit de behandelend sector, kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts ten aanzien van appellant vastgestelde afgenomen belastbaarheid geldend per 29 maart 2001, met dien verstande dat additioneel van beperkingen ten aanzien van hand- en vingergebruik moet worden uitgegaan.

De door appellant in hoger beroep overgelegde medische rapporten geven de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel nu deze rapporten geen gegevens bevatten met betrekking tot de gezondheidssituatie van appellant op de hier in geding zijnde datum 29 maart 2001, maar zien op een verslechtering van de gezondheidssituatie vanaf de tweede helft van januari 2002 in verband met een op dat moment opgetreden hernia en vervolgens een verdere verslechtering van de medische situatie vanaf begin april 2002 respectievelijk medio september 2003 in verband met de gevolgen van diverse ongevallen.
In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor nader onderzoek door een medisch deskundige, als namens appellant is verzocht.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad dat in de aan de schatting ten grondslag liggende functies geen zwaardere eisen worden gesteld dan op grond van de voor appellant geldende medische beperkingen verantwoord en mogelijk moet worden geacht.
De Raad overweegt voorts dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, berekend aan de hand van een vergelijking van het maatmaninkomen met de op basis van de geselecteerde functies te verwerven inkomsten zoals becijferd in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Van Vliet van 23 april 2003, met indeling in de klasse 35 tot 45% zeker niet is onderschat.

Het beroep, voor zover dat wordt geacht te zijn gericht tegen besluit II, moet dan ook ongegrond worden verklaard.

Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht wordt te zijn gericht tegen besluit II ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan 322,- aan appellant en 322,- aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 111,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2005.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A.C.W. van Huussen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x