Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0611
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ten onrechte is door de rechtbank geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3776 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 14 mei 2002 heeft gedaagde de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 6 juni 2002 ingetrokken.

Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar heeft gedaagde ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 24 oktober 2002, hierna: het bestreden besluit.

De rechtbank Zwolle heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij haar uitspraak van 17 juni 2003, reg.nr. AWB 02/1290 WAO gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Tevens heeft de rechtbank bij die uitspraak bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Gedaagde is voorts veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.

Namens appellante heeft mr. I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 mei 2005 waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De rechtbank Zwolle heeft bij haar in rubriek I genoemde uitspraak overwogen dat gedaagde ten onrechte de gemachtigde van appellante niet op de hoogte had gesteld van de te houden hoorzitting en voorts dat gedaagde de gemachtigde van appellante op geen enkele wijze op de hoogte had gesteld van het verdere verloop van de bezwaarprocedure. De rechtbank heeft vervolgens het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 6:17 en 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft voorts na een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank het volgende overwogen: “Nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de ander in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.”

Appellante is van mening dat de rechtbank haar beroep tegen de bestreden beslissing terecht gegrond heeft verklaard en dat het bestreden besluit terecht is vernietigd. De rechtbank heeft volgens appellante echter ten onrechte niet tevens een proceskostenveroordeling uitgesproken. Daartoe voert appellante aan dat het feit dat beide partijen door de rechtbank deels in het ongelijk zijn gesteld niet wegneemt dat het bestreden besluit als onrechtmatig is bestempeld.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 27 februari 2001, gepubliceerd in JABW 2001/82, hanteert de Raad bij de beoordeling of er termen zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb het uitgangspunt dat indien de rechtbank een bestreden besluit vernietigt, het bestuursorgaan in beginsel in de proceskosten behoort te worden veroordeeld. Slechts in uitzonderlijke gevallen is afwijking hiervan gerechtvaardigd. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de Raad geen sprake.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is geweigerd gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- in eerste aanleg en € 322,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 966,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is geweigerd gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante van in totaal € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep gestorte griffierecht van € 87,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x