Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0614
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het UWV was bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar zijn eerdere besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4135 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.

Namens appellant heeft mr. C.F.M. van den Ekart, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Dordrecht, op bij beroepschrift en aanvullend beroepschrift met bijlage aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht onder dagtekening 18 juli 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer AWB 02/611.

Gedaagde heeft van verweer gediend en heeft desgevraagd ontbrekende stukken ingezonden.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep nader aangevuld, onder overlegging van nadere stukken.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Ekart, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.A. Kneefel, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Voor zover van belang voor zijn oordeelsvorming, gaat de Raad in het onderhavige geding uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft zich op 27 augustus 1991 als werkloos lasser bij gedaagde ziek gemeld met klachten van psychische aard (overspannenheid). Bij besluit van 5 februari 1992 heeft gedaagde geweigerd om appellant na 10 januari 1992 verder ziekengeld ingevolge de Ziektewet toe te kennen, omdat hij niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn werk. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 18 februari 1993 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 27 december 1996, onder meer op basis van de bevindingen en conclusies van de als deskundige geraadpleegde psychiater dr. G.F. Koerselman, het tegen evenvermelde uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Op 13 november 1995 heeft appellant zich, wederom vanuit een werkloosheidssituatie, arbeidsongeschikt gemeld wegens huid- en oogklachten alsmede psychische klachten. Bij besluit van 6 oktober 1997 heeft gedaagde appellant met ingang van 11 november 1997 (lees: 1996) in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het bijzonder als gevolg van de bij appellant vastgestelde problemen op het psychiatrische vlak, wordt hij volledig buiten staat geacht tot het verrichten van loonvormende arbeid. Appellant heeft in bezwaar tegen evenvermeld besluit naar voren gebracht dat er sprake is van een doorlopende volledige arbeidsongeschiktheid reeds vanaf 27 augustus 1991. Bij besluit van 7 april 1998 heeft gedaagde dat bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Dordrecht heeft bij uitspraak van 7 mei 1999 het ingestelde beroep tegen voormeld besluit van 7 april 1998 gegrond verklaard om reden dat het onzorgvuldig is voorbereid en genomen, dat besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit dient te nemen.

Gedaagde heeft in die uitspraak berust en heeft vervolgens het besluit van 8 september 1999 genomen. Bij dat besluit heeft gedaagde wederom met ingang van 11 november 1996 aan gedaagde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering - ingevolge de WAO - toegekend. Namens appellant is bij schrijven van 19 oktober 1999 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 september 1999. Tot een besluit op dat bezwaar is het niet gekomen, als gevolg van het feit dat de toenmalige raadsman van appellant bij brief van 14 december 1999 het volgende aan gedaagde had meegedeeld:

ďHierdoor deel ik u mede dat cliŽnt om ernstig emotionele redenen, en gezondheidsredenen de bezwaarprocedure onder bovenstaand kenmerk niet meer kan voortzetten. CliŽnt is echter van mening dat hem ernstig onrecht is aangedaan door het Lisv tijdens de gehele procedure, met name door het te laat gevolg geven aan de rechterlijke uitspraak.

CliŽnt ondertekent daartoe mede deze brief.Ē

Vervolgens heeft de huidige raadsman van appellant bij brief van 11 augustus 2000 gedaagde verzocht om de bezwaarprocedure tegen de beschikking van 8 september 1999 - welke procedure volgens die brief destijds om emotionele redenen was opgeschort - te heropenen. Voor het geval een dergelijke heropening naar het oordeel van gedaagde niet mogelijk zou zijn, is in genoemde brief subsidiair verzocht om herziening van de ingangsdatum van de aan appellant bij het besluit van 8 september 1999 toegekende WAO-uitkering op grond van nieuwe feiten en omstandigheden.

Bij brief van 16 augustus 2000 heeft gedaagde aan de raadsman van appellant doen weten dat het schrijven van 11 augustus 2000 zal worden beschouwd als een verzoek om terug te komen van de beslissing van 8 september 1999.

Bij besluit van 10 december 2001 heeft gedaagde meegedeeld dat er geen redenen zijn om terug te komen van zijn eerder ingenomen standpunt met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 10 januari 1992.

In zijn besluit van 1 juli 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde doen weten de bij het primaire besluit van 10 december 2001 beoogde weigering om terug te komen van zijn besluit van 5 februari 1992 te handhaven, in verband waarmee het namens appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 december 2001 ongegrond wordt verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak in de eerste plaats overwogen dat op grond van de stukken, met name de bewoordingen van het verzoek van 11 augustus 2000, appellant primair heeft beoogd alsnog een beslissing te verkrijgen op het op 19 oktober 1999 tegen het besluit van 8 september 1999 ingediende bezwaarschrift en dat, voor zover deze bezwaarprocedure niet meer zou kunnen worden heropend, met het verzoek is beoogd om een herziening te verkrijgen van het besluit van 8 september 1999 in zoverre dat de ingangsdatum van de aan appellant toegekende uitkering betreft. Anders dan gedaagde in het bestreden besluit heeft aangenomen, behelst het verzoek van appellant van 11 augustus 2000 dan ook niet een verzoek om het eerdere besluit van 5 februari 1992 ingevolge de Ziektewet te herzien.

Het bestreden besluit ontbeert volgens de rechtbank dan ook een deugdelijke grondslag in de feiten, zodat het is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft evenwel tevens aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat uit de brief van appellants toenmalige raadsman van 14 december 1999 blijkt dat de destijds in gang gezette bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 september 1999 zonder meer is ingetrokken, waarmee dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat van de zijde van appellant geen feiten of omstandigheden zijn genoemd die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld of destijds niet in bezwaar of beroep naar voren hadden kunnen worden gebracht. De brieven van behandelaars, waarnaar namens appellant is verwezen, die dateren van voor het nemen van het besluit van 8 september 1999, had appellant eerder in de procedure kunnen - en, gelet op artikel 4:6 van de Awb, ook moeten - inbrengen. De vraag of destijds wellicht niet geheel rekening is gehouden met de gegevens van deze behandelaars, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen zich te kunnen stellen achter de zienswijze van gedaagde dat ook niet is gebleken van evidente onjuistheid van het besluit van 8 september 1999.

Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak in de eerste plaats doen aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat appellant met de brief van 14 december 1999 zijn bezwaarschrift tegen de beslissing van 8 september 1999 had ingetrokken. Appellant houdt staande dat met die brief slechts is verzocht om opschorting van die procedure. Voorts heeft de rechtbank naar de opvatting van appellant ten onrechte overwogen dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die bij de besluitvorming met betrekking tot het besluit van 8 september 1999 nog geen rol hebben gespeeld. Bovendien is appellant van mening dat laatstgenoemd besluit wegens evidente onjuistheid had dienen te worden herzien.

De Raad stelt vooraf vast dat, gelet op de van de zijde van appellant in hoger beroep aangevoerde grieven en gegeven het feit dat gedaagde zijnerzijds heeft berust in de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het bestreden besluit als zodanig, in het onderhavige geding uitsluitend aan de orde is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Voorts merkt de Raad op, zulks naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting, dat in de onderhavige procedure geen plaats is voor een beoordeling van de ter zitting door gedaagdes gemachtigde opgeworpen vraag of gedaagde destijds, na vernietiging door de rechtbank Dordrecht bij uitspraak van 7 mei 1999 van het besluit van 7 april 1998, terecht het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit van 8 september 1999 heeft gegoten in de vorm van een primair besluit in plaats van in de vorm van een nieuw besluit op bezwaar alsmede van de daarmee samenhangende vraag of destijds terecht tegen dat besluit bezwaar is gemaakt bij gedaagde in plaats van beroep ingesteld bij de rechtbank. Aan de orde is slechts de vraag of, gegeven het besluit van 8 september 1999 zoals dat er thans ligt, termen aanwezig zijn voor heropening van de destijds tegen dat besluit in gang gezette maar niet voltooide bezwaarprocedure alsmede, bij ontkennende beantwoording daarvan, of de weigering door gedaagde om dat besluit te herzien in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat geen aanknopingspunten bestaan om de brief van de toenmalige raadsman van appellant van 14 december 1999, gelet op de duidelijke en niet voor misverstand vatbare bewoordingen daarvan als hiervoor weergegeven, in andere zin op te vatten dan dat daarmee is beoogd om de in gang gezette bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 september 1999 te doen beŽindigen, om redenen als in die brief genoemd. Van enige clausulering die in de richting zou kunnen wijzen van de bedoeling van appellant om de bezwaarprocedure slechts tijdelijk, voor de duur van zijn in de brief vermelde emotionele en/of gezondheidsproblematiek, op te schorten, is niet kunnen blijken. Reeds deswege is de Raad met de rechtbank van oordeel dat van heropening van bedoelde bezwaarprocedure geen sprake kan zijn.

Met betrekking tot de weigering door gedaagde om zijn besluit van 8 september 1999 - wat betreft de daarin gehanteerde ingangsdatum van appellants WAO-uitkering - te herzien, overweegt de Raad dat een dergelijke weigering om terug te komen van een eerder besluit slechts terughoudend kan worden getoetst. Zoals de Raad inmiddels al vaker als zijn oordeel heeft uitgesproken, hanteert de Raad daarvoor, anders dan voorheen, in een geval als het onderhavige thans de navolgende toetsingsnorm.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

De Raad stelt zich achter het oordeel van gedaagde en van de rechtbank dat hetgeen appellant heeft doen aanvoeren ter onderbouwing van zijn standpunt dat gedaagde gehouden was terug te komen van de in het besluit van 8 september 1999 aangehouden eerste arbeidsongeschiktheidsdag, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin bevat.

Van de zijde van appellant is in het bijzonder naar voren gebracht dat psychiater Koerselman, die - als hiervoor vermeld - destijds als deskundige aan de Raad heeft gerapporteerd in de ZW-procedure inzake het besluit van 5 februari 1992, niet op de hoogte was van alle relevante gegevens met betrekking tot zijn ziektegeschiedenis, zoals die onder meer blijken uit diverse van behandelend artsen afkomstige rapporten en verklaringen uit onder meer de jaren 1987 en 1988, en dat genoemde deskundige als gevolg daarvan tot een onjuist oordeel is gekomen inzake de vraag of zijn arbeidsongeschiktheid op en na 10 januari 1992 nog heeft voortgeduurd.

De Raad stelt vast dat de stukken waarnaar appellant verwijst, zoals ook van de zijde van gedaagde is aangegeven, destijds reeds bekend waren. De enkele omstandigheid - waar appellant herhaaldelijk op heeft doen wijzen - dat zijn toenmalige advocaat verzuimd heeft om die stukken in de toen lopende procedure in te brengen, maakt niet dat die stukken in het kader van het thans voorliggende verzoek om terug te komen van het besluit van 8 september 1999 zouden kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ook anderszins is aan de Raad niet kunnen blijken van feiten of omstandigheden, betrekking hebbend op het hier aan de orde zijnde tijdvak van 10 januari 1992 tot 11 november 1995, die destijds nog niet bekend waren en uit dien hoofde niet konden worden ingebracht in de toen lopende procedures.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar zijn eerdere besluit. Er is niet kunnen blijken van enige grond voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 1 juli 2002 in stand blijven.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x