Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0642
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gedeeltelijke WAO-uitkering. Verzoek om verhoging. Is er sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid met dezelfde ziekteoorzaak (artikel 39a van de WAO)? Heeft de rechtbank uitspraak gedaan over alle onderdelen van het beroep? Terugwijzing naar de rechtbank.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4558 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 juli 2004, nummer AWB 03/555 WAO, hierna: de aangevallen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Er is geen verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 juni 2005, waar namens appellant is verschenen mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als gedaagde is aangeduid en gedaagde als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Eiser was laatstelijk werkzaam als CV-monteur. Op 28 augustus 2000 heeft eiser zich arbeidsongeschikt gemeld. In het kader van de einde wachttijd is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser vastgesteld op 25-35%. Eiser heeft tegen deze uitkomst bezwaar en beroep aangetekend. De rechtbank heeft in de uitspraak van 16 december 2002 met procedurenummer AWB 02/332 WAO geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per einde wachttijd terecht is vastgesteld op 25 tot 35%. Ten aanzien van de toename van de klachten per 24 september 2001 heeft de rechtbank in de hierboven genoemde uitspraak geoordeeld dat er sprake is van situatie zoals genoemd in artikel 39a WAO (Amber), derhalve bedraagt de wachttijd vier weken. Tegen deze uitspraak is door verweerder hoger beroep aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep.

Bij besluit van 20 september 2002 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat per 24 september 2001 eisers arbeidsongeschiktheid is toegenomen, maar dat op 23 september 2002 er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid, zodat de uitkering niet wordt verhoogd.Bij besluit van 23 september 2002 is medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 november 2002 is vastgesteld op 15-25% en dat hij per genoemde datum in aanmerking komt voor een uitkering naar die mate.”

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 13 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) waarbij gedaagdes bezwaren tegen de besluiten van 20 september 2002 (besluit 1) en 23 september 2002 (besluit 2) ongegrond zijn verklaard, ingestelde beroep onder verwijzing naar haar uitspraak van 16 december 2002 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en aan verweerder opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen, onder aanvullende bepalingen betreffende de proceskosten en het griffierecht.

In zijn uitspraak van 16 november 2004, LJN AR7203, heeft de Raad de hierboven genoemde uitspraak van de rechtbank van 16 december 2002 vernietigd.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit van 13 maart 2003 in rechte stand kan houden.

Voor zover betreffende het gedeelte van het bestreden besluit waarin een oordeel is gegeven over besluit 1 beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

In de aangevallen uitspraak is overwogen dat: “De rechtbank heeft in de hierboven reeds aangehaalde uitspraak van 16 december 2002 geoordeeld dat: “De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de klachten die tot een nieuwe ziekmelding hebben geleid reeds bestonden ten tijde van toekenning van de uitkering op grond van de WAO. Dienaangaande is er sprake van dezelfde ziekteoorzaak en dient op grond van art. 39a WAO de aan eiser toegekende uitkering te worden herzien zodra de toename van diens arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd (Wet Amber). Nu zulks niet is geschied komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging”.

Blijkens de gedingstukken blijft verweerder vasthouden aan het eerder ingenomen standpunt en heeft verweerder een wachttijd van 52 weken gehanteerd. Nu de rechtbank reeds eerder in haar uitspraak van 16 december 2002 in het beroep met procedurenummer AWB 02/332 WAO heeft geoordeeld dat er sprake is van een wachttijd van vier weken, komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. Onder verwijzing naar genoemde uitspraak komt de rechtbank dan ook aan een verdere inhoudelijke beoordeling niet toe.”

Het feit dat de Raad de in de aangevallen uitspraak geciteerde uitspraak van de rechtbank bij zijn uitspraak van 16 november 2004 heeft vernietigd om reden dat dit oordeel van de rechtbank - destijds - buiten de omvang van het geding viel, doet in dit geval aan de inhoudelijke juistheid daarvan op zichzelf niet af.

De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 8 mei 2001, 99/1009 AAW/WAO, waarin hij heeft overwogen dat buiten elke twijfel dient te staan dat (toegenomen) arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 39a van de WAO niet van toepassing zijn.

De door de verzekeringsarts E.J.J. Janssens en de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij opgestelde rapportages van respectievelijk 17 september 2002 en 11 maart 2003 voldoen naar het oordeel van de Raad om de in de uitspraak van 16 december 2002 genoemde redenen niet aan de bij de toepassing van artikel 39a voornoemd aan te leggen maatstaf.

Het vorengaande brengt met zich dat de rechtbank het bestreden besluit voor zover daarin is beslist over besluit 1 terecht heeft vernietigd. Het hoger beroep van appellant op dit punt treft dan ook geen doel.

De Raad is niettemin van oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden.

Vastgesteld moet worden dat de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan in het beroep tegen het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond is verklaard. De Raad is van oordeel dat de rechtbank dusdoende het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inhoudende dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting, heeft miskend. De aangevallen uitspraak dient mitsdien in zoverre wegens strijd met de wet te worden vernietigd. De Raad acht in het onderhavige geval termen aanwezig om de zaak in zoverre onder toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank Maastricht.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de navolgende beslissing.

Van proceskosten die voor vergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb in aanmerking kunnen komen is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de daarbij uitgesproken vernietiging tevens betrekking heeft op dat onderdeel van het bestreden besluit waarin over het bezwaar tegen besluit 2 is beslist;
Wijst het geding in zoverre terug naar de rechtbank Maastricht;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2005.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x