Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0707
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Besluiten inzake verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/1622 WAO, 04/1624 WAO, 04/1625 WAO, 04/1653 WAO, 04/1654 WAO en 04/1655 WAO




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: belanghebbende,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, hierna: het bestuursorgaan.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het bestuursorgaan tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 19 december 2001 heeft het bestuursorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van 28 november 2000, waarbij de door belanghebbende verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2001 is vastgesteld op 3,09%.

Bij besluit van 14 juni 2002 heeft het bestuursorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van 26 november 2001, waarbij de door belanghebbende verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO voor het premiejaar 2002 is vastgesteld op 5,49%.

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft het bestuursorgaan ongegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen het besluit van 25 november 2002, waarbij de door belanghebbende verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van de WAO voor het premiejaar 2003 is vastgesteld op 2,45%.

De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 12 februari 2004, registratienummers 02/214, 02/1538 en 03/1555, de door belanghebbende tegen het besluit van 19 december 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard, de tegen de besluiten van 14 juni 2002 en 3 juni 2003 ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze twee besluiten vernietigd, voorzover bij het vaststellen van de gedifferentieerde premie de aan de heer [werknemer] betaalde WAO-uitkering in aanmerking is genomen, bepaald dat het bestuursorgaan nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak, zulks met beslissingen met betrekking tot het betaalde griffierecht en de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Belanghebbende is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het bestuursorgaan is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) van 6 mei 2004 van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift, gedateerd 21 juni 2004, ingediend.

Belanghebbende heeft een verweerschrift, gedateerd 29 juni 2004, ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 april 2005, waar voor belanghebbende zijn verschenen haar algemeen directeur H.F.P.D. Oey en haar manager finance & control H.P.T. Vugts en waar voor het bestuursorgaan is verschenen mr. T.K. Dik, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij de aangevallen uitspraak, waarin belanghebbende is aangeduid als eiseres en het bestuursorgaan als verweerder, heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"Eiseres is eerst in november 1997 met de bedrijfsactiviteiten gestart. Daarom wordt het premieloon van twee maanden in 1997 als premiejaarloon aangemerkt. Gelet op de zeer sterke groei van het personeelsbestand leidt dit tot zeer nadelige consequenties, aldus eiseres, en levert dit ongelijke behandeling op met bedrijven die eerst in januari met de bedrijfsactiviteiten zijn gestart. Eiseres is in dit verband van mening dat de categorale benadering die de wetgeving met zich brengt, in alle redelijkheid niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn en dat onder verwijzing naar in bezwaar en beroep aangevoerde omstandigheden er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden van zo zwaarwegende aard dat afwijking van de gehanteerde berekeningsmethodiek gerechtvaardigd is. Eiseres doet daarbij een beroep op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in het kader van de voormalige premiedifferentiatie Ziektewet.
De rechtbank stelt vast dat het bij het tot stand brengen van algemeen verbindende voorschriften aan de materiële wetgever is voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen en dat de rechter het resultaat daarvan moet respecteren. Dit uitgangspunt leidt alleen dan uitzondering indien aan de inhoud en de wijze van totstandkoming zodanige ernstige feilen kleven, dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. De rechter is gehouden te toetsen of het desbetreffende algemeen verbindende voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag voor het besluit in concreto vormt.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 mei 2001, nr. 99/3291, gepubliceerd in RSV 2001/182, is de rechtbank van oordeel dat voor de bepaling van de gemiddelde loonsom uitgegaan moet worden van kalenderjaren en dat een herberekening van de loonsom als een werkgever niet de gehele referteperiode werkgever is geweest, niet aan de orde kan zijn. In voormelde uitspraak vermeldt de Centrale Raad van Beroep, dat in artikel 7 van het Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: het Besluit) en de toelichting daarop geen enkele aanknopingspunt is te vinden voor een eventuele herberekening van de loonsom als een werkgever niet de gehele referteperiode werkgever is geweest. De Centrale Raad van Beroep is daarbij van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat de besluitgever zich ervan bewust is geweest dat niet ieder werkgeverschap op 1 januari van een jaar begint, en dat een zekere grofmazigheid in dit opzicht een bewuste keuze van de besluitgever is geweest. Gelet op deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat aan dit Besluit niet onverkort zou mogen worden vastgehouden. Van strijd met de Grondwet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is niet gebleken. Evenmin is gebleken van strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (gelijkheidsbeginsel).
Voorts wordt opgemerkt dat de door eiseres bedoelde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in het kader van de Ziektewet geen betrekking had op wetgeving, maar op beleidsregels. De rechtbank onderschrijft hetgeen verweerder hierover in zijn verweerschrift van 4 april 2002 heeft opgemerkt."

en
"Artikel 87e van de WAO bepaalt dat het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de premieopslag niet kan zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Wat betreft de heffing van gedifferentieerde premie in verband met de toekenning van een WAO-uitkering aan de heer [werknemer] (hierna: [werknemer]) overweegt de rechtbank als volgt.
De heer [werknemer] is in de dienstbetrekking bij eiseres niet met zijn werkzaamheden begonnen. Verweerder heeft een afschrift van het toekenningsbesluit WAO aan eiseres gezonden. Indien eiseres uit dit besluit had kunnen afleiden, dat als eerste ziektedag van de heer [werknemer] 1 februari 1999 werd aangehouden, dan zou naar het oordeel van de rechtbank artikel 87e WAO aan eiseres tegen te werpen zijn. Uit het WAO-besluit van de heer [werknemer] van 4 februari 2000 blijkt echter niet welke datum verweerder als eerste ziektedag van de heer [werknemer] heeft aangemerkt. Door het slechts toezenden aan eiseres van het aan de heer [werknemer] gerichte besluit, is aan haar niet duidelijk geworden dat [werknemer] op zijn eerste ziektedag bij haar in dienstbetrekking stond en dat zij ter zake van deze arbeidsongeschiktheid als werkgever werd aangemerkt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 87e WAO inzake [werknemer] niet onverkort aan eiseres kan worden tegengeworpen en zal om die reden inhoudelijk op deze grief ingaan.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de eerste ziektedag van J. [werknemer] onvoldoende heeft onderbouwd. Door eiseres is een schrijven van TPG post overgelegd, waaruit blijkt dat de eerste ziektedag 28 januari 1999 zou zijn. Voorts heeft eiseres in haar beroepschrift van 11 juli 2003 aangegeven dat de heer [werknemer] al voor 1 februari arbeidsongeschikt zou zijn verklaard door zijn huisarts en bedrijfsarts.
Op grond hiervan valt niet uit te sluiten, dat de heer [werknemer] uitgevallen is alvorens hij zijn werkzaamheden bij eiseres zou beginnen. Verweerder heeft hier slechts tegen in gebracht, dat uit haar registratiesysteem zou blijken, dat de heer [werknemer] op 1 februari 1999 ziek zou zijn geworden.
De rechtbank is niet gebleken dat verweerder een zorgvuldig onderzoek hieromtrent heeft verricht, zodat de bestreden besluiten II en III op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb zijn genomen en in zoverre vernietigd dienen te worden."

Belanghebbende is in hoger beroep gekomen, omdat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank omtrent de wijze van berekening van de door haar verschuldigde gedifferentieerde premie. Zij wordt hierdoor als jonge, snel groeiende onderneming onevenredig zwaar getroffen. De door haar betaalde gedifferentieerde premie bedraagt het tienvoudige van het bedrag dat in de betrokken jaren aan uitkeringen is uitbetaald. Dit effect kan de wetgever en de besluitgever in haar visie nimmer beoogd hebben. Zij acht het oordeel van de rechtbank over haar beroep op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke vrijheden en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden onbegrijpelijk.

Het bestuursorgaan is in hoger beroep gekomen, omdat hij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank omtrent de aan [werknemer] toegekende WAO-uitkering. Het bestuursorgaan acht dit oordeel zowel feitelijk als juridisch niet houdbaar. Uit het aan belanghebbende toegezonden toekenningsbesluit waarin staat vermeld dat betrokkene op 30 januari 2000 gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, had belanghebbende kunnen afleiden dat 1 februari 1999 als eerste ziektedag was vastgesteld. Ook aan de toezending van dit besluit aan haar had belanghebbende kunnen afleiden dat zij als werkgever van betrokkene werd aangemerkt. Voorts heeft het bestuursorgaan onder verwijzing naar de bij haar aanvullende beroepschrift gevoegde uitspraak van de Raad van 4 december 2003, 01/2419 WAO, LJN A00381, gesteld dat onder het bereik van artikel 87e WAO ook valt het antwoord op de vraag of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist is vastgesteld.

Met betrekking tot het hoger beroep van belanghebbende overweegt de Raad dat de rechtbank met juistheid heeft gewezen op zijn uitspraak van 3 mei 2001. In deze uitspraak ligt al besloten dat de Raad geen grondslag in het recht aanwezig acht om de gevolgde berekeningswijze, welk in overeenstemming is met het Besluit, voor onjuist te houden, ook al heeft dit voor belanghebbende bepaald nadelige consequenties gehad. Een grondslag hiervoor acht de Raad evenmin aanwezig in de door belanghebbende genoemde verdragsbepalingen. De Raad wijst hierbij op zijn uitspraak van 20 juli 2001, USZ 2001/197, waarin hij heeft overwogen dat de wijze waarop wettelijke regelingen zich doen gevoelen, sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval, nog geenszins betekent dat er sprake is van strijd met het in deze bepalingen neergelegde gelijkheidsbeginsel.

Het hoger beroep van belanghebbende slaagt dan ook niet.

Het hoger beroep van het bestuursorgaan slaagt daarentegen wel. De Raad verenigt zich met hetgeen het bestuursorgaan heeft aangevoerd en maakt het aangevoerde tot het zijne. Dat belanghebbende (aanvankelijk) niet heeft onderkend dat bij de toekenning van de WAO-uitkering aan betrokkene is uitgegaan van 1 februari 1999 als eerste ziektedag, op welke datum betrokkene overeenkomstig de met belanghebbende afgesloten arbeidsovereenkomst met zijn werkzaamheden voor haar zou beginnen, betekent niet dat artikel 87e WAO haar niet kan worden tegengeworpen.

De Raad zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A. Kovács.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x