Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU0920
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WAO-uitkering. De medische onderbouwing van de schatting. Geschiktheid voor de voorgehouden functies.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4657 WAO en 03/5991 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 3 januari 2002 heeft gedaagde besloten aan appellante met ingang van 14 september 2001 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verlenen, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

Het tegen dit besluit gericht geachte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 10 oktober 2002 (besluit I) ongegrond verklaard.

De rechtbank s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 13 augustus 2003 (reg.nr. AWB 02/4382WAO), onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, besluit I vernietigd en bepaald dat gedaagde met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt.

Namens appellante heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op bij beroepschrift aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak nietig te verklaren, althans te vernietigen, zulks voorzover het hoger beroep zich daartegen uitstrekt en gedaagde te veroordelen in de schade van appellante en de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 december 2003 (met bijlagen) heeft gedaagde het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit op bezwaar van 2 december 2003 (besluit II) ingezonden met de daarbij behorende stukken. Bij dit besluit heeft gedaagde het primaire besluit van 3 januari 2002 gehandhaafd en het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 juni 2004 heeft de rechtbank s-Gravenhage het namens appellante ingediende beroepschrift van 23 december 2003 tegen voormeld besluit II aan de Raad doorgezonden, omdat niet de rechtbank maar de Raad bevoegd is om dit beroep te behandelen. Daarbij is voorts het door gedaagde ingediende verweerschrift (met bijlage) ingebracht.

Bij schrijven van 27 april 2005 heeft de Raad een vraag aan gedaagde gesteld, waarop gedaagde heeft geantwoord bij brief van 11 mei 2005, voorzien van bijlagen.

Namens appellante is bij brief van 17 juni 2005 een nader stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 juni 2005, waar voor appellante is verschenen mr. Toxopeus, voornoemd en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Aangezien met het hiervoor weergegeven besluit II dat gedaagde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet geheel tegemoet is gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit II. In dit geding heeft appellante belang gehouden bij een beoordeling van het besluit I, omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster bij Inside Cleaning te Rotterdam (21 uur) en City Service te s-Gravenhage (10uur). In verband met polsklachten en duizeligheidsklachten heeft zij haar werkzaamheden op 15 september 2000 gestaakt. Op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek heeft gedaagde bij besluit I het primaire besluit van 3 januari 2002, waarbij is besloten om met ingang van 14 september 2001 geen uitkering ingevolge WAO te verlenen, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg, gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat zij in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat appellante door de verzekeringsarts lichamelijk is onderzocht. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellante gezien en haar verdergaand beperkt geacht in verband met de duizeligheidsklachten. Het feit dat de bezwaarverzekeringsarts geen informatie bij de behandelend sector heeft opgevraagd acht de rechtbank niet onzorgvuldig, omdat appellante zelf in bezwaar medisch informatie van de behandelaars heeft aangereikt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. De rechtbank heeft het besluit I evenwel vernietigd, omdat zij van oordeel is dat gedaagde niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon. Uit de rapportage van de (bezwaar)arbeidsdeskundige blijkt niet dat overleg met de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden waarom de in de functies voorkomende markeringen geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum, hetgeen in strijd is met artikel 7:12 van de Awb.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is besluit II genomen. Daarbij heeft gedaagde het standpunt gehandhaafd dat appellante na afloop van de wettelijke voorgeschreven wachttijd van 52 weken weliswaar ongeschikt was haar werkzaamheden als schoonmaakster te verrichten, maar nog wel in staat moest worden geacht met de voor haar geschikte werkzaamheden een zodanig inkomen te verwerven dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
Het hoger beroep is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank inzake de medische component van de onderhavige schatting.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat zij op grond van al haar klachten (beide polsen, evenwichtstoornissen, galsteenaandoening, maagklachten, suikerziekte en rugklachten) op en na 14 september 2001 volledig arbeidsongeschikt is. Door gedaagde is onvoldoende acht geslagen op de ingebrachte medische stukken en op de inhoud daarvan. Appellante blijft van mening dat gedaagde, om tot een zorgvuldige besluitvorming te komen, de behandelend sector had behoren te raadplegen, in plaats van uitsluitend af te gaan op de door appellante ingebrachte medische stukken. Het geheel overziende, en met name de complexiteit van appellantes klachten, was volgens appellante een medisch deskundigenadvies gendiceerd. Ten aanzien van besluit II heeft appellante aangevoerd dat zij haar grieven handhaaft en dat deze als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Appellante is van mening dat gedaagde niet heeft voldaan aan de duidelijke opdracht van de rechtbank, zodat ook besluit II niet in stand kan blijven.

De Raad overweegt ten aanzien van besluit II als volgt.

Bij dit besluit is gedaagde uitgegaan van dezelfde medische grondslag als bij besluit I. De rechtbank heeft daaromtrent bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat er geen reden is voor het oordeel dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad heeft in de gegevens van medische aard geen aanknopingspunten gevonden voor de veronderstelling dat de medische beperkingen van appellante, geldend ten tijde hier in geding, onjuist zijn vastgesteld. De Raad acht zich door de thans voorhanden zijnde medische gegevens voldoende voorgelicht over appellantes gezondheidstoestand ten tijde hier van belang, en ziet dan ook geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van appellante om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

De Raad overweegt voorts het volgende.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak vraagtekens geplaatst bij de aan appellante voorgehouden functies, waarvan gedaagde meent dat appellante in staat moet worden geacht deze te vervullen.

Allereerst merkt de Raad op dat de selectie van geschikte functies met behulp van het geautomatiseerde Functie Informatie Systeem heeft plaatsgevonden. Dit systeem is een hulpmiddel voor de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige om de belastbaarheid te objectiveren. De belastbaarheid wordt hierin aangegeven als een combinatie van een wisselende belastingfrequentie in relatie tot een wisselende intensiteit van belasting. Het resultaat van de op deze wijze weergegeven belastbaarheid per aspect is niet een gefixeerd meetpunt, doch een meetpunt met een zekere bandbreedte. De bandbreedte bestaat daaruit dat een bepaalde belasting van een functie als passend kan worden beschouwd als deze bestaat uit een lagere frequentie met hogere intensiteit en vice versa. Een dergelijke belasting wordt aangegeven met een markering. Is voor n of meer aspecten een markering aangegeven, dan is overleg tussen een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige aangewezen, ten einde te bezien of de grenzen van de in het systeem vastliggende bandbreedte niet worden overschreden.

Gelet op de uiteindelijk in hoger beroep gemotiveerde toelichting, verwoord in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hoogeveen van 9 mei 2005, welke toelichting tevens door bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans is onderschreven, alsmede gelet op de door de gemachtigde van gedaagde ter zitting gegeven motivering inzake de passendheid van de geselecteerde functies, is de Raad van oordeel dat drie van de aan appellante voorgehouden functies, te weten samensteller van metaalproducten, gordijnennaaister en voedingsassistente, in haar geval als passend kunnen worden aangemerkt.

Bij vergelijking van de voor appellante zogeheten maatvrouwloon met het loon dat zij nog kan verdienen met de voor haar als passend te achten functies, moet worden geoordeeld dat ten tijde in geding in haar geval geen sprake was van een relevant verlies aan verdiencapaciteit.

Uit het vorenstaande volgt dat bij besluit II terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 14 september 2001 is bepaald op minder dan 15%.

Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt en dat het tegen besluit II gerichte geachte beroep ongegrond moet worden verklaard.

Gezien het vorenstaande is er geen grondslag voor vergoeding van schade als door appellant is verzocht.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan de artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen besluit II ongegrond.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2005.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x