Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WAO
x
LJN:
x
AU1002
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-08-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: WAO-schatting. Medisch onderzoek. De CRvB ziet geen noodzaak tot benoeming van een deskundige.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/995 WAO




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft voor mr. B.R. Angad Gaur, advocaat te ís-Gravenhage, zijn toenmalige kantoorgenoot mr. I. de Vink, thans advocaat te Rijswijk (ZH), op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank ís-Gravenhage onder dagtekening 16 januari 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/1849 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 3 april 2003 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 mei 2005, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. De Vink, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Appellante heeft op 9 oktober 2000 na een haar overkomen verkeersongeval haar voltijds verrichte werkzaamheden van medewerkster basisdiensten bij een bankfiliaal van Fortis wegens nekklachten gestaakt. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 11 april 2002 heeft gedaagde zijn besluit van 26 oktober 2001 gehandhaafd dat aan appellante met ingang van 8 oktober 2001, na het einde van de wettelijke wachttijd van 52 weken, geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toekomt, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat de er geen reden is om te twijfelen aan de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische oordeelsvorming, dat de belasting in haar eigen werk de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en dat afdoende door de verzekeringsarts is gemotiveerd dat ten tijde hier in geding de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante evenmin overschrijdt.
Hieruit is, aldus de rechtbank, door gedaagde terecht de conclusie getrokken dat appellante geen WAO-uitkering toekomt, omdat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% is.

In hoger beroep is van de zijde van appellante aangevoerd dat gedaagde in navolging van de (bezwaar)verzekeringsarts bij het vaststellen van de belastbaarheid onvoldoende rekening heeft gehouden met haar pijnklachten in de nek en bovenrug, haar voortdurende hoofdpijn, haar concentratie- en slaapproblemen en met de omstandigheid dat haar behandelend psychiater R.W. Jessurun een depressief toestandsbeeld bij haar heeft waargenomen. Voor het geval dat de Raad zich daaromtrent niet voldoende voorgelicht acht, heeft appellante verzocht een psychiater als deskundige onderzoek te laten doen.
Ten slotte heeft appellante erop gewezen dat zij alleen heel lichte huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten, dat de zwaardere door familie of haar partner worden gedaan en dat zij geen sociale contacten meer onderhoudt, omdat zij niet meer in staat is auto te rijden.

Gedaagde heeft bij verweerschrift aangevoerd dat de betrokken verzekeringsartsen heel wel in staat zijn psychische klachten te onderkennen en te vertalen in arbeidsbeperkingen en dat zij dit in het geval van appellante ook hebben gedaan door haar ongeschikt te achten voor werk waarin voortdurende alertheid dan wel voortdurende concentratie is vereist. Bovendien heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 22 februari 2002 de psychomentale belasting, zoals die in een aantal functies voorkomt, van nader commentaar voorzien. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts bij haar oordeelsvorming rekening gehouden met alle in bezwaar overgelegde medische gegevens.

De Raad overweegt als volgt.

Hetgeen appellante in hoger beroep over haar medische klachten heeft doen aanvoeren wijst er op dat zij haar mogelijkheden om met arbeid inkomsten te verwerven geringer acht dan gedaagde heeft aangenomen, maar die opvatting wordt niet ondersteund door nieuwe gegevens van medische aard.

Aan de beschikbare medische gegevens ontleent de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor de overtuiging dat gedaagde de lichamelijke en psychische beperkingen van appellante heeft onderschat. Het rapport van 19 oktober 2001 van de psychiater Jessurun was de bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen bekend; zij heeft de inhoud ervan in haar rapport van 25 maart 2003 uitgebreid besproken en gemotiveerd aangegeven waarom dit rapport geen aanleiding gaf meer psychische beperkingen bij appellante te aanvaarden dan in het belastbaarheidspatroon opgenomen. Hetgeen daartegen van de zijde van appellante is aangevoerd heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist moet worden gehouden.

Naar in het hiervoor overwogene reeds ligt besloten acht de Raad het niet noodzakelijk een psychiater als deskundige onderzoek te laten doen, omdat de Raad zich over de medische toestand van appellante ten tijde in geding voldoende voorgelicht acht.

Met inachtneming van de voor appellante geldende medische beperkingen is de Raad van oordeel dat appellante, zo zij niet al geschikt is voor haar eigen werk, zoals de arbeidsdeskundige J.G.M. de Kruif bij rapport van 23 oktober 2001 heeft geconcludeerd, in ieder geval in staat moet worden geacht de door deze arbeidsdeskundige geselecteerde functies volledig te vervullen, omdat de daarin voorkomende belasting haar belastbaarheid niet overschrijdt.

Ook overigens ziet de Raad geen reden voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2005.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.E. Meijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WAO | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x